De verdwenen dierentuin

Met ijsberen en panters kwam Aleid Rensen op tv bij Willem Duys. Ze leidde familiebedrijf Noorder Dierenpark in Emmen. Vandaag verschijnen haar ‘memoires’. Kunnen dierentuinen nog overleven?

Aleid Rensen.

Jaap en Aleid Rensen wonen op de plek waar ooit waterbuffels zwommen. Hun huis ligt verscholen onder de bomen naast het dierenpark in het centrum van Emmen. Jaap heeft het begin jaren zeventig ontworpen, vertelt Aleid Rensen, terwijl hij koffie schenkt en een koekje presenteert. Met „alle ruimte en comfort voor pasgeboren dierenparkdieren”. Afneembare plavuizen op de grond, de vloer verwarmd, en in de kelder stond een bad voor de nijlpaarden.

Vijfentwintig jaar lang, van 1970 tot 1995, voerde het echtpaar de directie over de dierentuin. Het was een tijd dat dierenrechten nog bevochten moesten worden. Ongeveer 180 jongen had het gezin tijdelijk in huis. Leeuwenwelpjes, die aan een riem mee uit wandelen gingen. Glibberige nijlpaardjongen, van wie de eerste het na negen maanden moest opgeven. Een kangoeroemeisje dat alleen kon slapen in een eigengemaakte kunstbuidel met bloemetjes erop. Doodshoofdaapje Japie dat de boekenverzameling onderpoepte, althans de werken ‘Aafjes tot en met Campert’.

Voor de vuist weg

Grote kans dat oudere lezers de dierentuindieren op televisie hebben gezien. Bij Voor de vuist weg van Willem Duys, een voorloper van De Wereld Draait Door. Aleid werd daar in 1971 side kick sinds leeuw Leentje Duys’ gezicht likte toen die hem de fles gaf. Aleid Rensen: „Ik schat dat ik zo’n vijftien keer te gast ben geweest in De Vuist. Met zwarte panters, geiten, een ijsbeer, struisvogel Secundus, chimpansee Hannes – niets was Willem te gek. Daarna waren we niet meer weg te slaan van tv. Het dierenpark werd een opnameplek voor tv-programma’s. En ik trad op in spelletjes, van Wedden dat tot Tien voor Taal. ”

Onder leiding van het echtpaar groeide het Noorder Dierenpark in Emmen uit tot een van de best bezochte attracties van Nederland, met uitschieters van 1,7 miljoen bezoekers per jaar – tegenover 700.000 nu. De Rensens zetten in op verantwoorde dierenverblijven en een landschappelijke uitstraling – op de Afrikaanse savanne brachten ze onder meer zebra’s, giraffen en neushoorns samen. Het meeste succes hadden hun tentoonstellingen. Zoals het evolutiemuseum Biochron, over de geschiedenis van het leven op aarde – tot ontsteltenis van het Gereformeerd Politiek Verbond in Emmen. Maar de Drenten zaten daar niet mee. Het dierenpark was hùn dierentuin geworden. Hun afgelegen veendorp stond op de kaart.

Aleid Rensen (Emmen, 1938) heeft het verhaal van haar en haar man opgetekend in een boek dat vandaag verschijnt. Het zijn herinneringen, dicht op de huid geschreven, geïllustreerd met foto’s en documenten, voor zover niet verloren gegaan bij een brand in november 2012. Een van de kantoren van het dierenpark, toevalligerwijs ook het ouderlijk huis van Aleid Rensen, ging in vlammen op. Toen, zegt Aleid Rensen, moest ik met mijn verhaal redden wat er nog te redden viel. Het werd een staccato avonturenverhaal. Aleid Rensen: „Mijn hulp zei nog: Schrijf het op zoals je vertelt. Ga niet deftig doen.”

Het was VVD-senator Harm van Riel, president-commissaris van het dierenpark, die het echtpaar naar Emmen haalde. In oktober 1969 reed zijn chauffeur hem naar Bussum, daar woonden de Rensens met hun drie dochters – Jaap was architect, Aleid huisvrouw. Aleids vader, Willem Sjuck Oosting, wilde de dierentuin te gelde maken, vertelde Van Riel, er hadden zich al kopers gemeld. En dat wilde de commissaris voorkomen. „Dit is een familiepark. Dat moet in familiehanden blijven”, baste hij met zijn Drentse tongval. Tegen Aleid: „Je broer is te jong. Daarom moet Jaap het park redden, met jou als steun.”

Vanzelfsprekend was dat allerminst. Het dierenpark was een familiebedrijf met een scherp randje. Vader en dochter zagen elkaar niet meer. Sjuck (spreek uit: sjoek) was een nieuw leven begonnen na de dood van zijn vrouw. Daarin was geen plaats voor Aleid en haar broer en zus. Terwijl ze wel in de dierentuin waren opgegroeid. „Mijn vader en ik liepen elke avond de ronde”, vertelt Aleid. Ze herinnert zich nog hoe ze de jonge hyenahonden weghaalde die door hun moeder opgegeten dreigden te worden. „Ik gaf ze de fles. Dat stonk zo verschrikkelijk dat op school niemand meer naast me wilde zitten.”

Een verwaarloosd dierenpark

In Emmen troffen de Rensens een verwaarloosd dierenpark. Zoals veel directies begin vorige eeuw had Willem Sjuck Oosting zich laten inspireren door Carl Hagenbeck, een Duitse dierenhandelaar, circusbaas en dierentuindirecteur. Toen Sjuck zijn park in 1935 opende, scoorde hij met spectaculaire zoogdieren – een exemplaar per soort – die in hun eentje kunstjes deden. Een olifant die kon voetballen. Een chimpansee die pap met een lepel kon eten en sigaretten rookte. Aleid Rensen: „En toen we de brilbeer uren achtereen zagen masturberen in haar kooi, dachten we: dit kan niet, dit mag niet. Dat gaan we anders doen.”

Ze bezochten andere parken en gingen te rade bij Antoon en Greet van Hooff, van dierenpark Burgers Zoo in Arnhem. „Antoon werd onze leermeester”, vertelt Aleid Rensen. „Hij zei: het gaat om interactie. Interactie, vroegen wij, welke interactie?” Tussen de dieren, antwoordde hij, bij voorkeur in een zo natuurlijk mogelijk aangelegd gebied. Hij liet het chimpansee-eiland in aanbouw zien. Een ruim eiland van een hectare, een brede gracht eromheen, alleen de binnenverblijven hadden tralies. Rensen: „Dat was het einde van het circus. Dierenwelzijn stond voorop. Alleen voedershows mochten nog.”

Minder diersoorten, meer educatie

Het echtpaar groepeerde de dieren in Emmen zoveel mogelijk achter grachten en op eilanden – voor elk continent een eigen groep. Het leidde tot minder diersoorten en meer educatie. Opvallendste nieuwigheden: een tropische vlindertuin, een eigen museumcollectie en telkens weer nieuwe tentoonstellingen. Daarmee hielden we het park up to date, vertelt Aleid Rensen, en verzekerden we ons van een voortdurende publiekstroom. Zonder problemen bleef dat niet: zo brak onder de ringstaartmaki’s een besmettelijke ziekte uit en begonnen de werknemers te morren over grootschaligheid.

Ook het dierenwelzijn werd voortdurend onderwerp van discussie. Moest een mensengezin wel helpen om dierenjongen te laten opgroeien? Waren de onderkomens groot genoeg? Groeiden de kuddes niet te snel? Vader Sjuck bemoeide zich daar ook mee. Hij schreef de raad van commissarissen een brandbrief dat de ara’s, grote kleurrijke papegaaien, met opgezwollen poten op hun stangen zaten. De rvc, met inmiddels twee wethouders, haalde er dierenartsen bij. Rensen: „Zij constateerden dat er niks mis was. Maar het heeft me geraakt. Dat ik nooit erkenning heb gekregen van mijn vader. Dat hij nooit trots is geweest op wat Jaap en ik hier bereikt hebben. Hij overleed toen ik 45 was.”

De dierentuin van toen bestaat niet meer. „Onze dochter Saskia”, vertelt Aleid Rensen, „voelde zich te jong om ons op te volgen toen wij met pensioen gingen”. Het familiebedrijf kwam uiteindelijk via een stichting volledig in handen van de gemeente. Het Noorder Dierenpark heet sinds 2004 Dierenpark Emmen. Toen de dierentuin eind 2010 dreigde failliet te gaan sprong de gemeente bij. Het park is nu aan het verhuizen naar een leeg weiland even buiten Emmen – daar is meer ruimte voor de 7.000 dieren van bijna 300 soorten.

Verhuizing

Over twee jaar moet daar een ‘belevenispark’ staan met een theater en een dierentuin, thematisch ingedeeld in drie klimaatwerelden met onder meer 1,8 hectare overdekte jungle voor de olifantenkudde. Het oude dierenpark in het centrum wordt tot verdriet van de Rensens verbouwd tot een mensenpark. Maar hoe dat eruit komt te zien is onduidelijk . Net als de precieze financiering van alle plannen. De totale kosten worden geraamd op 200 miljoen euro.

Kunnen dierentuinen anno 2013 nog overleven? Jaap en Aleid Rensen denken van wel, al wordt dat niet makkelijk met de steeds fraaiere dierenfilms en het feit dat de wildparken in Afrika voor steeds meer mensen bereikbaar zijn. Voortbestaan kan als de dierentuinen van karakter veranderen, zeggen ze, en directies afstand doen van het uitgangspunt dat een dierenpark de plek is om een veelheid aan levende, grote, kleurrijke dieren te laten zien.

Aleid Rensen: „Waarom laten dierentuinen nog honderden diersoorten zien? Ze zouden zich veel meer moeten toeleggen op natuurlijk diergedrag in zo natuurgetrouw mogelijke onderkomens. Het ruiken, voelen, zien – het ervaren van natuur moet centraal komen te staan. Dieren kun je dan minder prominent maar functioneel inzetten. Weet je waar de mensen bij ons het langst bleven staan? Niet bij de haaien, maar bij de mierenstad. Daar zagen ze wel een kwartier lang van heel dichtbij hoe bladsnijdersmieren stukjes rozenblad als parasolletjes boven hun kopjes naar hun kwekerijen brachten.”

Aleid Rensen, De verdwenen dierentuin, Uitgeverij Lecturis, ISBN 978-94-6226-024-5, 24,95 euro