De treurige geschiedenis van een collectie

Na vijftien jaar is er nu een bestandscatalogus van de Khardzhiev-collectie. Over de beladen geschiedenis van de collectie staat er weinig.

De zaak-Chardzjiëv is het grootste kunstschandaal in Nederland na 1945. Maar in de dikke catalogus Russische avant-garde. De Khardzhiev-collectie die nu ter gelegenheid van de grote Malevitsj-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam is verschenen, worden weinig woorden gewijd aan de lotgevallen van de Chardzjiëv-collectie in Nederland.

In hun artikel ‘Wat voorafging’ schrijven Willem Weststeijn en Theo Bremer, bestuursleden van de Stichting Khardzhiev, in vage termen over het schandaal. Ook in de andere stukken in de catalogus wordt alleen tussen de regels duidelijk dat de belangrijkste stukken van de Chardzjiëv-collectie, waaronder zeker vier olieverfschilderijen van Kazimir Malevitsj, uit de collectie zijn verdwenen.

Nikolaj Chardzjiëv (1903-1996) had in Moskou een grote collectie opgebouwd van werken van Russische avant-gardekunstenaars als Malevitsj en Lissitzky. Daarnaast had hij een groot archief van manuscripten van futuristische dichters, onder wie Velimir Chlebnikov. Veel had Chardzjiëv van de kunstenaars zelf gekocht en gekregen. Soms had hij gesjoemeld. Zo beweerde Anna Leporskaja, een leerling van Malevitsj, dat hij geleende kunstwerken nooit had teruggegeven.

Chardzjiëvs verzameling kwam tot stand in een tijd dat de avant-gardistische kunst in de Sovjet-Unie verboden was. Dit maakte Chardzjiëv tot een achterdochtig mens. Niet zonder reden. Hij werd belaagd door kunstdieven en wilde daarom emigreren. Willem Weststeijn, toen nog hoogleraar Slavische letterkunde, stelde Chardzjiëv emigratie naar Nederland voor.

In 1993 vestigde Chardzjiëv zich met met zijn vrouw Lidia Tsjaga in Nederland. Met hulp van de Keulse galerie Gmurzynska, gespecialiseerd in Russische avant-garde, had hij zijn collectie met een geschatte waarde van 100 miljoen euro de grens over weten te krijgen. Gmurzynska deed dit niet voor niets. In ruil voor hulp bij de smokkel kocht de galerie vier topwerken en twee gouaches van Kazimir Malevitsj voor 2,5 miljoen dollar – de zes werken zijn minstens het tienvoudige waard.

In Amsterdam merkte Chardzjiëv dat een deel van het literair archief de grens niet was overgekomen. Ook miste hij een aantal kunstwerken. Nadat hij Weststeijn had beticht van diefstal, verbrak deze het contact. Hierna ontfermden de notaris Michaël Privé en de Russische emigré Boris Abarov zich over Chardzjiëv. Abarov werd tot enig erfgenaam van Chardzjiëv benoemd.

Na de dood van Lidia Tsjaga richtte Chardzjiëv in 1995 de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tchaga op, met als belangrijkste doel het bijeenhouden van zijn collectie. Na zijn dood een jaar later ontdekte journalist Hella Rottenberg dat Chardzjiëvs executeur testamentair, Privé, ook het enige bestuurslid van de stichting was. Privé had de statuten van de stichting zodanig veranderd dat de verkoop van kunstwerken uit de collectie wél was toegestaan. Dit deed hij dan ook. In de catalogus meldt Bremer dat Privé nog eens acht schilderijen verkocht aan Galerie Gmurzynska. Onduidelijk is of dit allemaal werken van Malevitsj zijn. De opbrengst, bijna 14 miljoen euro, verdween in de zakken van onder anderen Privé en Abarov.

Abarov emigreerde. Privé raakte in moeilijkheden na artikelen over de zaak-Chardzjiëv in de Nederlandse pers. Onder druk van het Openbaar Ministerie moest Privé in 1998 plaats maken voor een nieuw bestuur, met onder anderen ex-minister Job de Ruiter en het huidige bestuurslid, de jurist Theo Bremer, als leden. Na langdurig onderzoek meldde het nieuwe bestuur in april 2000 tot verbazing van velen dat er in de zaak-Chardzjiëv niets ontoelaatbaars was gebeurd.

Korte tijd later bleek dat Privé 3,2 miljoen euro had gekregen van de Stichting Khardhiev en Abarov bijna 10 miljoen. Pensioenadviseur Buse had ruim 1,3 miljoen gebeurd en de advocaat Fruytier, die een blauwe maandag voorzitter was van de stichting, had bijna een half miljoen euro opgestreken. De Amsterdamse rechter vond wél dat Privé iets ontoelaatbaars had gedaan. Op 26 maart 2001 veroordeelde hij hem tot een werkstraf van 240 uur of een half jaar gevangenisstraf. Maar de verkopen van de Malevitsj-werken aan galerie Gmurzynska konden niet worden teruggedraaid. Op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum komt de naam van galerie Gmurzynska twee keer voor. Bij een impressionistische gouache van een kerk uit 1906 staat de galerie als bruikleengever vermeld. Een zelfportret uit 1909-1910, ook een gouache, is volgens het bijschrift via galerie Gmurzynska aan een particuliere collectie verkocht. Onduidelijk is of deze tot de destijds verkochte schilderijen uit de Khardhiev-collectie behoren.

    • Bernard Hulsman