De deur op een kier, en help de achterblijvers

In Exodus doet econoom Paul Collier aanbevelingen om de migratiestromen in goede banen te leiden, zoals quota, selectie, geforceerde integratie en meer ontwikkelingshulp. Hoe reëel is hij? En hoe zit het met de uitvoerbaarheid?

De meer dan 360 verdronken Afrikanen van de grote scheepsramp bij Lampedusa kregen postuum het Italiaanse staatsburgerschap. De overlevenden niet. Zij kregen 5.000 euro boete.

Op Sicilië is de noodtoestand uitgeroepen na een serie schipbreuken van migranten in gammele boten. Ondertussen besloot de Europese Unie vorige week de controle op de Middellandse Zee verder op te schroeven, onder meer met het surveillancesysteem Eurosur. Veel verder dan deze technologische afweer van een humanitaire kwestie komt het niet. Het onderwerp ligt bij Europese kiezers te gevoelig.

Europa is vreemd afwezig in Exodus, het boek van Paul Collier over immigratie en multiculturalisme in de 21ste eeuw. Die titel, Exodus, suggereert een Bijbels drama en is daarom slecht gekozen. Collier, een conservatieve econoom die vooral bekend is vanwege zijn boek The Bottom Billion, wil migratie nu juist met een nuchtere economische blik bekijken. Wat zijn de kosten, wat de baten, voor de migranten, de landen van aankomst en voor de achterblijvers? ‘De vraag is niet of migratie goed is of slecht,’ schrijft hij, maar ‘hoeveel migratie het beste is.’

Volgens Collier weten de meeste politici zich geen raad met migratie, heen en weer geslingerd als ze worden tussen de druk van het bedrijfsleven, dat de deur open wil zetten, en het electoraat, dat hem dicht wil houden. De status quo is dat het migratiebeleid van de meeste Europese landen gericht is op afweer en controle. Europa laat mondjesmaat asielzoekers toe, plus migranten waar het economisch iets aan heeft. Nederland in het bijzonder is herhaaldelijk op de vingers getikt voor het schenden van mensenrechten van migranten.

Het bijzondere aan Exodus is dat Collier zich expliciet richt op de gevolgen van migratie voor arme landen – de achterblijvers, de allerarmsten, spelen doorgaans geen rol in debat of beleid. Hiervoor heeft hij goede papieren. The Bottom Billion (Boeken, 21.09.2007) werd ontvangen als een baanbrekend boek over de armste landen ter wereld. Die zijn niet alleen arm door hun politiek onvermogen en corruptie, zoals het rechtse narratief vaak wil, noch door hun koloniale erfenis, zoals het linkse betoog luidt. Ook onder meer hun geografische ligging, de vloek van grondstoffen en burgeroorlogen houden landen gevangen in armoede.

Colliers boek verschafte hem mondiale bekendheid en toegang tot internationale fora – hij zit aan bij jaarvergaderingen van de Wereldbank, waar hij eerder werkte, en het IMF, en schreef mee aan internationale handvesten voor goed bestuur. Ondertussen blijft hij boeken schrijven over ontwikkelingsproblemen. In 2009 verscheen Wars, Guns and Votes, over democratisering en geweld, krap een jaar later The Plundered Planet (2010), over hoe Afrikaanse landen een beter grondstoffenbeleid zouden kunnen voeren.

Grote letters

Exodus is een boek van krap driehonderd bladzijden in grote letters. Collier geeft helder en compact een overzicht van de stand van economisch migratie-onderzoek. Hij belicht de oorzaken van migratie, benoemt trends en extrapoleert die in een grafiek. Hij bekijkt de economische en maatschappelijke gevolgen, waarna hij met een pakket beleidsaanbevelingen komt. Verwerkt in een nieuwe grafiek wijzen die uit dat de trends keren en migratie beheersbaarder wordt.

Deze samenvatting is natuurlijk een grove versimpeling, maar aan versimpeling ontkomt Collier ook zelf niet. Exodus is een boek dat in een vacuüm geschreven lijkt. Neem de openingshoofdstukken, waarin Collier betoogt dat migratie niets anders is dan de ‘tijdelijke oplossing voor een lelijke fase waarin voorspoed nog niet geglobaliseerd is’. Migratie is het gevolg van de kolossale inkomenskloof tussen arme en rijke landen. Het zal toenemen zo lang die kloof groeit, maar die zal volgens hem nog in deze eeuw gedicht worden.

Dit rotsvaste vertrouwen in gestage economische groei, de pijler onder dit boek, wekt verwondering. Veel groei in ontwikkelingslanden is immers gebaseerd op de vraag naar hun grondstoffen. De baten komen vrijwel alleen ten goede aan stedelijke elites en de opbrengst is allesbehalve gegarandeerd voor de toekomst. Maar dat probleem, aldus Collier, lost zich vanzelf op, als burgers betere sociale modellen gaan eisen.

Hij baseert zich daarbij op het boek Why Nations Fail van Daron Acemoglu en James Robinson (Boeken, 05.10.2012) die beschrijven hoe landen zich uit armoede hebben bevrijd: anarchie maakt eerst plaats voor centraal gezag, vaak uitgeoefend door roofzuchtige elites, en pas daarna wordt de stap naar een evenwichtige maatschappij gemaakt. Collier gaat er, overigens anders dan Robinson en Acemoglu zelf, in blind economisch optimisme vanuit dat álle landen deze ontwikkeling zullen doormaken. In Colliers ogen zal bijvoorbeeld de Arabische Lente uiteindelijk tot een zomer leiden. Die ‘heeft Tunesië, Egypte en Libië getransformeerd, en terwijl ik dit opschrijf, binnenkort Syrië. Deze transformaties demonstreren alle het potentieel van democratische instituties.’ De twee miljoen Syrische vluchtelingen en de zeven miljoen Syrische ontheemden zijn dit vermoedelijk niet met hem eens.

Vluchtelingen

Het boek splitst de wereld overzichtelijk in rijke landen die migranten moeten opvangen en arme landen waar iedereen weg wil. Daarmee negeert Collier de complexere werkelijkheid van veruit de meeste migranten die in hun eigen regio blijven, van de straatarme regio’s in rijker wordende landen en van de arme landen die het leeuwendeel van ’s werelds vluchtelingen opvangen.

Evenmin heeft Collier veel oog voor demografie; niet voor het krimpende en vergrijzende Europa, en niet voor de verwachte verdubbeling van de bevolking van straatarme Afrikaanse landen tegen het jaar 2050. Dit laatste ziet hij ook niet als een probleem. De nieuwe generaties zullen de steden productiever maken, stelt hij. Kennelijk worden zij géén migranten die ‘met hun voeten stemmen’ voor een beter bestaan.

Volgens Collier zal het de economische groei van ontwikkelingslanden zijn, en dus niet hun bevolkingsgroei, die leidt tot de aanvankelijk sterke toename van migratie in de komende decennia – dit omdat de groei de bevolkingen op drift jaagt en de groeiende diaspora’s hun aanzuigende werk doen. ‘Overgelaten aan beslissingen van migranten zouden arme continenten leeglopen’, schrijft hij – iets wat migratiewetenschappers bestrijden. Rijke landen kunnen dus niet anders dan de controles voor hun rekening nemen, in hun eigen belang, dat van migranten (die ook de dupe zijn van ongecontroleerde instroom) en dat van de achterblijvers.

Migratie is, wijst onderzoek uit, een gunstige factor voor alle betrokkenen, maar alleen in beperkte mate. De deur moet dus niet dicht of wijd open, ‘hij moet op een kier.’ Het sociale weefsel van rijke landen scheurt bij te veel migratie, betoogt Collier. Veel zal afhangen van of migranten werk vinden, hoe snel ze integreren en hoe veel hun cultuur verschilt van die van hun nieuwe land.

Ook voor arme landen geldt een dergelijke balans. Te veel migratie is niet goed, maar te weinig evenmin. Het geld dat migranten naar huis sturen, de remittances, is van sommige economieën de ruggengraat. Ook de brain drain, het wegtrekken van kansrijken en hogeropgeleiden, is niet per definitie slecht – alleen kleine straatarme landen – Haïti, Sierra Leone lijden hieronder, maar oplevende economieën profiteren juist van inwoners die elders een goede opleiding hebben gevolgd.

Quota

Collier komt aan het slot met een pakket maatregelen dat bestaat uit quota, selectie en geforceerde integratie – een combinatie van bestaande elementen uit Amerikaans en Europees beleid, alleen met meer dwang en meer onderlinge samenhang. Zo brengt hij een correlatie aan tussen het aantal vluchtelingen dat een land uit een bepaald herkomstland toelaat en de mate van integratie van de bijbehorende diaspora – nieuwe Somaliërs worden pas toegelaten als hun voorgangers geïntegreerd zijn. De praktische uitwerking slaat hij over.

Daarnaast pleit hij voor selectie naar opleiding en werk – bedrijven moeten meebeslissen – en cultuur, omdat culturele verwantschap een indicator is voor de snelheid van integratie. Dit zou natuurlijk niet op een inhumane of racistische manier moeten gebeuren, schrijft Collier. Maar hij schrijft er niet bij hoe dan wel.

Asiel zou alleen verleend moeten worden aan vervolgden van wie het land in oorlog is of in de greep van een dictator verkeert; ruimhartig maar altijd tijdelijk, opdat de bewoners na de oorlog teruggaan om hun land te helpen opbouwen. Dat een oorlog of dictatuur zomaar een decennium of drie kan duren, vergeet Collier voor het gemak. Ook moeten landen meer werk maken van het integreren van hun diaspora’s, bijvoorbeeld door migrantenkinderen verplicht te spreiden over scholen. Met visa voor studenten moeten rijke landen sneller en guller zijn, maar al die studenten moeten terug.

Tenslotte denkt Collier een einde te kunnen maken aan illegaliteit. Landen moeten hun grenzen zeer streng bewaken, maar zij die er toch door weten te komen krijgen het recht te werken, met uitzicht op burgerschap. Maar totdat ze daar recht op hebben – en Collier benadrukt dat deze weg lang en moeilijk zou moeten zijn – moeten ze wél belasting betalen, terwijl ze niet in aanmerking komen voor sociale voorzieningen. Wie desondanks opteert voor illegaliteit, wordt zonder beroepsmogelijkheid gedeporteerd.

Risico’s

Al met al raakt Collier, overigens kennelijk onbewust, hier een cruciaal punt: het uitruilen van rechten van – en mogelijkheden voor migranten, iets waar onlangs ex-VN’er Peter van Krieken in deze krant en politiek econoom Martin Ruh in zijn boek The Price of Rights – op wezen. Van Krieken schreef dat pogingen van Europa migranten in transit of herkomstlanden te houden, ketsten af op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Martin Ruh betoogt in zijn boek dat de rechtenbenadering van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), ontwikkelingsorganisaties en mensenrechtenhoven een pragmatisch soelaas – tijdelijke arbeidsmigratie – in de weg staat. Extreem gesteld gaat de keus volgens hem tussen het model Qatar (veel arbeidsmigratie, weinig rechten) en het model Europa (weinig migratie, veel rechten).

Collier lijkt een druppel Qatar in Europa te willen injecteren, maar duidelijk wordt dat niet, omdat hij zijn positie verder niet verantwoordt. Hij gaat nauwelijks in op het feit dat sommige van zijn voorstellen botsen op mensenrechtenverdragen en de internationale rechtsorde. Hij schrijft alleen dat de status van gastwerknemer altijd nog beter is dan die van illegaal.

Tegelijk laat Collier veel praktische zaken liggen. Hoe landen tot een verdeling van quota kunnen komen, lezen we bijvoorbeeld niet. De VN, de Schengenzone – ze worden niet of nauwelijks genoemd.

Wél roept Collier rijke landen op meer hulp te geven: bovenop ontwikkelingshulp moeten zij een percentage van de belasting die migranten afdragen, overmaken aan herkomstlanden, ter compensatie van het verlies aan arbeids- en denkkracht daar. Dat idee is even creatief als onrealistisch. Tot slot laat Collier de olifant in de kamer ongenoemd. Migratie en ontwikkelingshulp zijn niet de enige stromen tussen arm en rijk. Voor de belangrijkste stroom – handel en de bijbehorende, voor ontwikkelingslanden soms ontwrichtende handelsvoorwaarden – was op zijn tekentafel kennelijk geen plek.

Maar Colliers grafiek klopt. En dat is ook wat waard.

Martin Ruh: The Price of Rights. regulating International Labor Migration. Princeton, 320 blz. € 26,-.

    • Maartje Somers