Biesheuvel was een knikker in het hoofd van Bernlef

‘Wie, als de prijs aan een man wordt toegekend, zou in aanmerking moeten komen voor de Anna Bijns Prijs? Geen pornograaf, en niet iemand die de lichamelijke erotiek profaneert, maar iemand die aan de grootheid van de Vrouw recht doet.’ Dat schreef Gerard Reve kort na de oprichting van de Anna Bijns Prijs (voor de ‘Vrouwelijke Stem in de literatuur’) aan dichteres Elly de Waard, een van de stichters van de prijs. (Dit lezende vrees je voor de woorden waarmee Reve zijn kandidatuur voor een kinderboekenprijs zou stellen, maar laten we het netjes houden).

De zelfbenoemde Volkssschrjver achtte zich wel groter dan de Anna Bijns Prijs: ‘Maar er zit in mijn advies ook een politieke betekenis: als de feministische beweging zich kan verzekeren van de medewerking van de vooraanstaande Nederlandse schrijver, dan zal zij op haar weg naar de zege onoverwinnelijk blijken: ‘Als Gerard Reve met ons is, wie zal dan tegen zijn?’

De Waard was de brief, geschreven op 5 maart 1986, jaren kwijt maar vond hem onlangs terug ‘op zolder in dat deel van mijn geschiedenis dat niet digitaal is maar ligt opgeslagen onder de hanenbalken van het dak, de schedel van mijn huis, zo echt dat het met stof en spinnerag is bedekt’. Ongeveer toen De Waard haar Revebrief terugvond, stond ik in de schedel van een huis in Uithoorn: op de zolder van de gepensioneerde criticus J. Huisman, waar ik zijn knipselarchief mocht bekijken. Een flinke klerenkast tjokvol papier. Het was het soort verzameling dat een gedigitaliseerd criticus van mijn generatie niet meer aanlegt: ik knip zelfs mijn eigen stukken niet uit. Want in het digitale archief heb ik alles toch sneller gevonden. Zoals ik vaak iets zoek op de site waar een zekere Niek van Baalen alle recensies van Kees Fens heeft verzameld.

Toch zit in de gedachte dat iets op te zoeken is precies de vergissing, besef ik als ik de knipselmap over J.M.A. Biesheuvel bekijk. Ik lees een recensie van zijn debuut In de bovenkooi (1972) die begint met een knikkermetafoor: ‘Mensen die lezen bezitten allerlei fragmenten van hun lektuur die als knikkers in hun kop rondrollen. Zo gauw als de gelegenheid zich voordoet, de werkelijkheid een gaatje openlaat, rollen de knikkers erin.’ De auteur van de recensie: J. Bernlef.

Het is een kort maar mooi stuk. Om in de metafoor te blijven: een mooie knikker die plotseling in beeld rolt. In geen digitaal archief zou het in je opkomen om ernaar te zoeken, maar dat is precies waarom die onoverzichtelijke mappen met knipsels zo spannend zijn. Dáár vind je nog dingen die je nooit hebt gezocht, omdat je niet wist dat ze bestonden. (Zo weet ik nu ook dat Biesheuvels derde bundel voor de latere voetbalgoeroe Henk Spaan een tegenvaller was, iets wat vermoedelijk meer over Spaan zegt dan over Bies).

Verspreid over Nederland moeten er talloze schedels van huizen zijn, waar knipsels, brieven en andere schatten te vinden zijn. Kunnen we niet de site deschedelvannederland.nl oprichten, waar alle papieren archiefbezitters af en toe één van hun schatten op publiceren? Eén, niet meer – om het avontuur te bewaren. Dan zal ik de bijdragen netjes uitprinten en in een mapje stoppen.