Achtergrond Buitenland is dol op nieuwste generatie filmmakers

Medewerker Film

In A Touch of Sin van Jia Zhang-ke rijdt een busje met arbeiders een dorpje in en maakt een rondje rond een standbeeld van Mao. Dan vragen de arbeiders aan iemand de weg. Een mooie metafoor voor China, dat gevangen zit tussen het Maoïstische verleden en de onbekende toekomst: waar gaat het heen?

Regisseur Zhang-ke (1970) is een van de meest interessante Chinese regisseurs van de afgelopen jaren, met zijn films legt hij haarfijn de verwarring vast waar hedendaags China in verkeert. Hij behoort tot wat wel de ‘zesde generatie’ gedoopt is. Deze kwam halverwege de jaren negentig op en keerde zich tegen de filmopvattingen van hun voorgangers, met hun overgestileerde herscheppingen van China’s verleden. De zesde generatie laat films in het heden afspelen en streeft bewust naar een minder gelikte vorm, goedkope digitale camera’s zijn goed genoeg. De regisseurs maken films die in eigen land meestal niet op officiële wijze te zien zijn maar op buitenlandse festivals veelvuldig in de prijzen vallen.

Die internationale zegetocht van de Chinese cinema begon dertig jaar geleden, toen de ‘vijfde generatie’ van de filmacademie kwam. Menigeen zal toen Chen Kaige’s Gele Aarde (1984) of Zhang Yimou’s Het Rode Korenveld (1987), Ju Dou en Raise the Red Lantern hebben gezien. De films van de vijfde generatie dramatiseerden het Chinese verleden in een gestileerde stijl vol kleurensymboliek.

Dat was het antwoord op het socialistisch realisme van de Culturele Revolutie (1966-1976), waarmee arbeiders werden verheerlijkt die Mao’s ‘Grote Sprong Voorwaarts’ moesten maken. Het leverde films op die nu camp zijn, zoals een propagandistisch soort musical waarin de lof werd gezongen van de arbeider die het moest opnemen tegen de grootgrondbezitter of andere symbolen van kapitalistische uitwassen.

Mao’s vijfjarenplan was bedoeld om het land op te stuwen in de vaart der volkeren maar zijn campagne mislukte grotendeels en kostte vele levens. Vijftig jaar na Mao’s Sprong is China een economische supermacht waar marktwerking, privatisering en hebzucht hoogtij vieren.

Veel recente Chinese speelfilms weerspiegelen gemengde gevoelens over die immense verandering. Ze hebben aandacht voor de keerzijde van de economische groei en tonen verwarring over de verwestering van China. Vooruitgang is goed, maar ten koste waarvan?

Net als in andere landen is de commerciële film de kurk waar de Chinese filmindustrie op drijft. Zelden bereiken deze de buitenlandse bioscoop. De paar films die dat wel doen, worden er al snel van beschuldigd water bij de (westerse) wijn te doen. Bijvoorbeeld de wonderschone martial arts-films Crouching Tiger, Hidden Dragon en Hero, met prachtig gechoreografeerde vechtscènes. In het samenspel van sierlijke camerabewegingen, vreemde camerahoeken en dynamische montage ontstaan opzwepende films die op hun best een kruising vormen tussen cinema en hypergestileerde dans. Ze geven niet-Chinezen een fijn Rivella-gevoel: een beetje vreemd, maar wel lekker.

    • André Waardenburg