Sprookje over een vrouw

Poesjkin, Gogol, Dostojevski, Tsjechov: de Russische literatuur is wereldberoemd en in Nederland zeer geliefd. Lees een verhaal van Isaak Babel.

Geschilderd door Julia Chashirskiy

Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een! Haar man was in de oorlog gesneuveld. Drie jaar had ze zonder man geleefd, bij een rijke familie gediend. De familie eiste drie keer per dag warm eten. Hout stookten ze nooit, alleen steenkool. De hitte van kolen is onverdraaglijk, in kolen gloeien vurige rozen.

Drie jaar had de vrouw voor de familie gekookt en was ze eerzaam geweest tegenover de mannen. Maar waar laat je een boezem van dertig pond? Ga er maar aan staan!

In het vierde jaar ging ze naar de dokter en zei: ‘Mijn hoofd voelt zo zwaar: soms slaan de vlammen me uit, dan weer word ik helemaal slap...’

De dokter antwoordde prompt: ‘Lopen er niet kerels genoeg rond bij jullie op het erf? Vrouwtje toch...’

‘Ik durf niet’, huilde Ksenia, ‘ik ben gevoelig...’

En het was waar, dat ze gevoelig was. Ksenia’s ogen waren blauw, met een bittere traan.

Toen handelde de oude Morozicha de zaak af.

De oude Morozicha was de bakker en de wonderdokter voor de hele straat. Zulke types zijn meedogenloos voor de vrouwenschoot. Er moet gepaard worden, verder zal het ze een zorg zijn.

‘Ksenia’, zei ze, ‘ik maak het in orde. De aarde is gebarsten van droogte. Er is een goddelijk regenbuitje nodig. In een vrouw moet een paddenstoeltje opschieten, vochtig en stinkend.’

En dat bracht ze. Valentin Ivanovitsj heette hij. Onooglijk, maar onderhoudend – hij kon liedjes maken. Een lichaam van niets, bezaaid met een regenboog van puistjes, lange haren. Maar had Ksenia soms een stier nodig? Hij maakte liedjes en hij was een man – beter was in de hele wereld niet te vinden. De vrouw bakte honderd pannenkoekjes en een rozijnentaart.

Op Ksenia’s bed werden drie zachte matrassen gelegd, en zes kussens, allemaal dons – rollen maar, Valja!

De avond brak aan, het gezelschap kwam bijeen in het kamertje achter de keuken, iedereen leegde een glaasje wodka. Morozicha had een zijden doek omgeslagen – kijk eens hoe eerbiedwaardig. En Valentin stak weergaloze toespraken af: ‘Ach Ksenia, liefje van me, een verstotene ben ik op deze wereld, een gekwelde jongeling.

Denk toch niet lichtvaardig over me. De nacht zal komen met zijn sterren en zijn zwarte waaiers – kan een gedicht de ziel uitdrukken? Ach, hoeveel schroom schuilt er in mij...’

Enzovoorts. Ze dronken natuurlijk twee volle flessen wodka, en wel drie flessen wijn. De rest spreekt voor zich: het onthaal kostte vijf roebel – niet niks!

Onze blozende Valentin kleurde roestbruin en droeg met schallende stem gedichten voor.

Toen schoof Morozicha haar stoel naar achteren.

‘Ik ga ervandoor, Ksenjoesjka’, zei ze, ‘God sta me bij, er zal liefde zijn tussen jullie. Als jullie op de kachelbank gaan liggen’, zei ze, ‘trek je zijn laarzen uit. Mannen, daar valt niet tegenop te wassen...’

Maar de drank speelde ze parten. Valentin greep in zijn haar en woelde erdoorheen. ‘Ik’, zei hij, ‘heb visioenen. Zodra ik drink, heb ik visioenen. Nu zie ik jou dood voor me, Ksenia, je gezicht is weerzinwekkend. En ik ben een pope, ik loop achter je kist en zwaai met een wierookvat.’Daarbij verhief hij zijn stem natuurlijk.

En zij, zij was ook maar een vrouw. Ze had toevallig, onwillekeurig, haar blouse al opengeknoopt.

‘Niet schreeuwen, Valentin Ivanovitsj’, fluisterde de vrouw, ‘niet schreeuwen, dat horen meneer en mevrouw...’

Maar hoe moest ze hem stoppen, nu hij het op zijn heupen gekregen had?

‘Je hebt me diep gekrenkt’, jammerde Valentin, heen en weer wiegend, ‘ach, slangen van mensen, wat wilden ze, mijn ziel wilden ze kopen... Ik mag dan onwettig zijn’, zei hij, ‘maar ik ben de zoon van een edelman... gesnapt, keukenmeid?’

‘Ik zal u liefkozen, Valentin Ivanovitsj...’

‘Laat me.’

Hij stond op en zwaaide de deur open.

‘Laat me. Ik trek de wereld in.’

Maar waar kon hij heen, de schat, dronken als hij was? Hij viel op het bed, kotste, neem me niet kwalijk, de lakens onder, en viel in slaap, de dienaar Gods.

En daar was Morozicha alweer.‘Dat wordt niks,’ zei ze, ‘we brengen hem weg.’ De vrouwen droegen Valentin naar buiten en legden hem onder het poortje. Toen ze terugkwamen, stond de vrouw des huizes hen op te wachten met een slaapmutsje op en een deftige lange onderbroek aan. Ze gaf haar keukenmeid een uitbrander.

‘Dat ontvangt hier mannen ’s nachts, een schande is het. Morgenochtend krijg je je papieren en dan scheer je je weg uit mijn eerzame huis. Ik heb een onschuldige dochter onder mijn hoede...’

Tot de blauwe ochtendschemering zat de vrouw in het halletje te huilen en te jammeren: ‘Moedertje Morozicha, ach, moedertje Morozicha, wat heb je me aangedaan, mij, een jonge vrouw? Ik schaam me voor mezelf, hoe kan ik mijn ogen nog opslaan naar het goddelijk licht, en wat zal ik daar, in het goddelijk licht, zien?’

De vrouw huilde en kermde, tussen de rozijnentaarten gezeten, tussen de sneeuwwitte peluwen, de iconenlampjes en de wijn. En haar warme schouders schokten.

‘Het was een misser’, antwoordde Morozicha haar, ‘hier was een eenvoudiger jongen nodig, Mitjoecha hadden we moeten nemen...’

En de ochtend nam zijn beloop. De melkmeisjes gingen al langs de deuren. Een lichtblauwe, berijpte ochtend.

Vertaling Froukje Slofstra

    • Isaak Babel