‘Nooit schilder ik een blanke’

De Amerikaanse kunstenaar ziet het als zijn missie de kunstgeschiedenis te verrijken met beelden uit de zwarte cultuur. In Antwerpen is een grote expositie van zijn werk.

Kerry James Marshall: Lost Boys AKA Black Johnny, 1993 Foto Jack Shainman Gallery, NY, and Koplin Del Rio, CAFoto

Het is geen voor de hand liggende keuze, voor een zwart kind dat eind jaren vijftig opgroeit in een arm gezin in het diepe zuiden van de Verenigde Staten. Toch wist Kerry James Marshall (Birmingham, Alabama, 1955) al van jongs af aan dat hij kunstenaar wilde worden. Vanaf het moment dat hij als vijfjarige in een encyclopedie schilderijen zag van Rembrandt, Goya en Da Vinci en dacht: dat wil ik ook. Tekenen leerde hij zichzelf, met behulp van het in de jaren vijftig razend populaire televisieprogramma Learn to Draw van Jon Gnagy. Zijn kennis van de kunstgeschiedenis deed hij op in de bibliotheek, waar hij na schooltijd systematisch de kunstcatalogi tot zich nam – boek voor boek, plank voor plank.

Wat hem toen al opviel: dat er in die kunstboeken niet veel plaatjes van zwarte mensen stonden. Marshall: „Soms stonden er wel dienstbodes op de achtergrond, zoals op Manets schilderij Olympia. Maar een zwarte figuur als het centrum van de voorstelling, dat zag je maar zelden. En als er al een portret van een opgedofte slaaf of bediende gemaakt werd, dan was dat vooral om de rijkdom van de blanke opdrachtgever te etaleren.” Op zijn veertiende wist hij het zeker: hij zou nooit meer een blanke schilderen.

Sindsdien is het Marshalls missie om de kunstgeschiedenis te verrijken met beelden uit de zwarte cultuur. Op zijn tentoonstelling Painting and Other Stuff in het Muhka in Antwerpen – met 65 werken uit vier decennia zijn grootste expositie tot nu toe – trekt een veelheid aan stijlen voorbij, van zwierige rococo à la Fragonard tot Hopper-achtig realisme. Alleen zijn de blanke hoofdrolspeelsters stuk voor stuk vervangen door Afro-Amerikaanse schoonheden. Op Nude (Spotlight) uit 2009 ligt een pikzwarte vrouw als een trotse hedendaagse Olympia achterover in de spierwitte lakens. En op Black Star uit 2011 breekt een uitzinnige zwarte dame door een abstract schilderij van Frank Stella – alsof ze dat blanke modernisme persoonlijk een lesje wil leren.

Al zijn schilderijen, zegt Marshall, zijn gemaakt met de intentie om een rol op te eisen in de kunstgeschiedenis. „De westerse kunstgeschiedenis is de enige kunstgeschiedenis die we hebben. Die is van iedereen. En het feit dat zo weinig zwarte kunstenaars deel uitmaken van die canon, is een leemte die ik iedere keer weer voel als ik naar een museum ga of een kunstboek open. Blanke heteroseksuele mannen zijn daarin nog altijd de dominante kracht. De vraag is wat mij betreft heel eenvoudig: kun je tevreden zijn met het simpelweg toezien dat andere mensen succes hebben in een domein waar jij geen deel van uitmaakt?” Hij lacht. „Natuurlijk niet. Dat is toch gekmakend?”

Conceptuele kunst

Hij was de eerste in zijn familie die ging studeren, vertelt Marshall, met een tongval die zijn zuidelijke afkomst nog steeds verraadt, ook al woont hij al jaren in Chicago. Op het Otis College of Art in Los Angeles was hij de enige zwarte student in zijn jaar, en de enige die zich op schilderkunst richtte. Het was eind jaren zeventig, pop-art was over zijn hoogtepunt heen en de conceptuele kunst vierde hoogtij. Marshall: „Alleen het idee al dat je een schilderij wilde maken, werd absurd gevonden. Laat staan een schilderij van een zwarte figuur. Maar ik dacht: musea blijven de komende eeuwen toch wel volhangen met schilderijen. Men lijkt niet erg happig om al die Titiaans, Goya’s en Rembrandts de deur uit te doen. Dus ik moet proberen om daartussen te komen. Anders blijven mensen altijd hetzelfde idee houden van wat schilderkunst zou moeten zijn.”

Marshall noemt zijn oeuvre een „contra-archief”, al zegt hij er direct bij dat zijn werk „geen argument is tegen wat dan ook, maar vooral een argument vóór iets anders”. Het recentste werk op zijn tentoonstelling is een parodie op Barnett Newmans werk Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue. Marshall maakte er het drieluik Who’s Afraid of Red, Black and Green van, een verwijzing naar de kleuren van de Black Liberation Flag. Op het rode doek prijken de woorden „If they come in the morning”, een citaat uit een brief die de zwarte schrijver James Baldwin in 1970 schreef aan activiste Angela Davis, die destijds gevangen zat vanwege haar betrokkenheid bij de Black Panthers. Het is zijn poging, zegt Marshall, om betekenis te geven aan een kunststroming die bekend staat om zijn a-politieke houding. „Colorfield paintings werden vooral gemaakt om een transcendente ervaring op te roepen. Transcendenten gaan ervan uit dat de mens van nature goed is. Voor mij is dat een moeilijk concept om te omarmen, als je denkt aan de politieke situatie destijds. De uitdaging voor mij is om die kunststroming, die vijandig is jegens politiek, toch te verrijken met cultuur en politiek.”

Marshall werd geboren in het jaar dat Rosa Parks in Alabama weigerde haar plaats in de bus af te staan aan een blanke passagier. Hij verhuisde in de zomer van 1963 naar Los Angeles en was erbij toen twee jaar later de rellen uitbraken in Watts. Hij was negen toen Malcolm X werd doodgeschoten, twaalf toen Martin Luther King werd vermoord. Hoe kun je je als zwarte kunstenaar daar niet toe verhouden en abstracte kunst maken, wil Marshall maar zeggen. „Je kan niet geboren zijn in Alabama in 1955 en opgroeien in South Central in de buurt van het hoofdkantoor van de Black Panthers, en niet het gevoel hebben dat je een zekere sociale verantwoordelijkheid hebt”, zei hij in een eerder interview. „Je kan niet naar Watts verhuizen in 1963 en de dingen zien die ik zag in mijn vormende jaren en het daar niet over hebben. Die gebeurtenissen bepaalden voor een groot deel waar mijn werk over moest gaan.”

Kunsthistorische canon

Inmiddels lijkt Marshall aardig in zijn missie geslaagd. Hij exposeerde in de belangrijkste Amerikaanse musea, en nam deel aan twee Documenta’s. Hij heeft die felbegeerde plek in de kunsthistorische canon opgeëist. Dat is ook te zien aan de forse prijzen die voor zijn werken worden betaald – een groot doek kost 400.000 euro. Maar die marktwaarde zegt hem niet veel, beweert Marshall. „Belangrijk aan kunstwerken is niet wat ze kosten, maar wat ze betekenen. Ik probeer werken te maken die nieuwe wegen openen voor andere kunstenaars, die deze optie wellicht nooit voor mogelijk hadden gehouden. Ik wil laten zien dat figuratieve kunst, die altijd onder vuur ligt, nog steeds actueel kan zijn.”

En ja, hij ziet het kunstenaarschap als een roeping. „Je kunt alleen de verwachtingen van mensen veranderen door ze steeds opnieuw te confronteren met het andere. De conceptuele kunst heeft voorgoed het idee van wat kunst kan zijn op zijn kop gezet. Als mensen een museum binnenkomen en ze zien een leeg A4’tje hangen op een plek waar vroeger een landschap of een portret zou hebben gehangen, dan verandert dat hun verwachtingspatroon. Dat is precies wat ik probeer met mijn zwarte figuren. Ik hoop dat als je die keer op keer tegenkomt, in verschillende musea, je opeens snapt: dit kan dus ook.”

Kerry James Marshall: Painting and Other Stuff. T/m 2 febr in Muhka, Leuvenstraat 32, Antwerpen. Inl: muhka.be

    • Sandra Smallenburg