Kunstenaars moeten zich met de stad bemoeien

Hij is de maker van ongewone beelden in de openbare ruimte. Vorige maand kreeg hij daarvoor de Wilhelminaring voor beeldhouwers. „Ik word steeds vaker gevraagd om mee te denken over wat je in een stad doet.”

Vanaf links: Sluipweg waarlangs de dood heeft weten te ontsnappen (2009), Kunstfort bij Vijfhuizen;Zuil van Lely (2004), Lelystad;Blauw Jan (1994), Amsterdam

Beeldhouwer Hans van Houwelingen (56) maakt monumenten. Vorige maand ontving hij de Wilhelminaring, de tweejaarlijkse oeuvre-onderscheiding voor beeldhouwers. Van Houwelingen is sinds de jaren negentig bekend van zijn bronzen hagedissen bij het Amsterdamse Leidseplein, hij maakte bij het Noord-Hollandse Fort bij Vijfhuizen een wandelpad van geruimde grafstenen, wil meer dan 100 meter hoge windmolens neerzetten naast de ‘wolkenkrabbers’ bij het Amstelstation in Amsterdam, stelde voor om het Haagse beeld van Spinoza om te ruilen met dat van Thorbecke in Amsterdam en sloot zich twee jaar geleden met kunstenaar Jonas Staal en de Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels (PvdA) op in een Amsterdamse kunstruimte – om samen met nog twee kunstenaars en vier politici vier dagen en nachten over kunst en politiek te praten. „Ik vind dat kunstenaars zich meer met de stad moeten bemoeien.”

Een voorbeeld daarvan is de Zuil van Lely die hij voor Lelystad maakte. „Ik heb daar in 2004 het bronzen beeld van ingenieur Lely van zijn plek uit de stad gehaald en het op een vijfendertig meter hoge zuil gezet. Lelystad liep leeg in die tijd, de utopisch modernistische modelstad was mislukt. Ik wilde het einde van het modernisme benadrukken met een iconoclastische ingreep door er een classicistische zuil te plaatsen. Ik vond dat ook spannend omdat Nederland te calvinistisch is voor monumentale zuilen, zo’n exposure van grandeur past hier eigenlijk niet. Als antwoord op het hoogdravende ideaal dat Lelystad noodlottig werd paste het wel. Er was aanvankelijk enorm veel protest, maar toen het af was zag je iedereen als naar een magneet naar die zuil trekken en sindsdien is hij het centrum van Lelystad. Het is de trots van de Flevopolder, er zijn veel gadgets van gemaakt. (Lachend:) Met Kerst hangen er lampjes aan!”

Waarom maakt u geen vrij werk maar vooral kunst voor de openbare ruimte?

„Ik houd van locaties waarop iets gebeurt. Maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit een opdracht heb uitgevoerd zoals die werd gevraagd. Ik zie een opdracht als een teken dat ergens een behoefte leeft en dan duik ik daarin en dan komt er wat.”

Wat betekent ‘erin duiken’?

„Ik lees me in, soms neem ik een hotel en ga ik er een week zitten om te kijken wat er zoal gebeurt. Ik wil die plek begrijpen, snappen wat er aan de hand is. Uiteindelijk rolt er een idee uit dat een vorm krijgt. Veel kunstenaars hebben een vormidioom dat ze steeds toepassen. Ik doe het precies andersom. Vandaar dat ik ook vrijwel nooit iets maak wat lijkt op een vorig werk.”

De hagedissen uit 1994 in een plantsoen bij het Leidseplein is een van uw opvallendste beelden.

„Dat is mijn allereerste werk in de openbare ruimte. Eerlijk gezegd, (zucht), ben ik zo vaak geconfronteerd met die dingen dat ik er een beetje zat van werd. Het is nu weer actueel want het Leidseplein gaat op de schop en het plantsoen verdwijnt. De Dienst Ruimtelijke Ordening heeft me gevraagd om er een nieuwe vorm aan te geven. Net als begin jaren negentig is er ook nu weer een behoefte om de chaos van het plein een halt toe te roepen. Stadsplanners zijn niet tevreden als ze de controle niet hebben. Dat plein is altijd een plek van zorg geweest sinds de Schouwburg over de Lijnbaansgracht werd gebouwd, ook toen in 1913 het Kleine-Gartmanplantsoen boven op de Lijnbaansgracht werd aangelegd. Keer op keer is er een nieuw plan gemaakt en uitgevoerd en steeds won de chaos. Toen ik destijds werd gevraagd een kunstwerk te maken was de gedachte wederom daarmee helderheid en stevigheid in die openbare ruimte te brengen. Mijn conclusie was echter dat juist de chaos de kwaliteit van die plek was. Het feit dat daar drommen toeristen zich een stuk in de kraag zuipen of naar de bioscoop, theater of Paradiso gaan om hun geest te verruimen – dat is de kwaliteit van het Leidseplein.”

Maar waarom hagedissen?

„Je kunt een kunstwerk neerzetten dat zegt ‘ho stop, ik ben kunst en jij moet mij begrijpen’. Met de hagedissen is het net als met gevelsteentjes, daar fiets je dertig keer aan voorbij en ineens ontdek je het. Als je zelf de ontdekking hebt gedaan ben je de baas. Je ziet het tot op de dag van vandaag gebeuren. Mensen lopen langs een hagedis en denken verrek, wat is dat nou? En dan ontdekken ze er nog één. Dan zie je dat ze ermee bezig zijn.

„Ik vond het ook aardig om met hagedissen te werken omdat die beesten vaak stil zitten, ze zijn een beetje griezelig. Ze passen bij die plek. Als je dronken uit de kroeg komt moet je er ook iets mee kunnen, ze moesten een zeker deliriumgehalte hebben. Bij de pisbak heb ik veel hagedissen neergezet, alsof de stank ze aantrekt. Overdag keurig tussen de tulpen wilde ik ’s nachts de ranzigheid van de stad laten voelen.”

Bent u als kunstenaar nauw betrokken bij zulke gemeentelijk projecten waar kunst moet komen?

„Ja, maar in dit geval in een vrij laat stadium. Ik word steeds meer gevraagd om als kunstenaar mee te denken over wat je in een stad doet. Niet zo zeer om daar een beeld neer te zetten, maar omdat een kunstenaar misschien op een andere manier over een stad denkt.”

Op uw website staat bij veel projecten ‘niet gerealiseerd’.

„Van de tien projecten realiseer ik er zes of zeven niet. Als de opdrachtgever het er niet mee eens is, houdt het op. Dat respecteer ik. Zo’n competitie met drie of meer kunstenaars vind ik wel vervelend. Dat is ontstaan doordat overheden hun verantwoordelijkheid afschuiven naar commissies die met een beetje geld namens hen iets met kunst moeten doen. Vaak ziet dan het kunstwerk met de minste controverse uiteindelijk het licht. Met als gevolg dat Nederland vol staat met artistieke prut, ‘cultural collateral damage’ noemt Jonas Staal dat zo mooi. Daarom is het nodig dat je met mensen praat die werkelijk iets met die stad willen. En niet met de feestcommissie. Cultuur zou die macht moeten grijpen. Dat veel steden met die kunstcommissies stoppen is het enige gevolg van de bezuinigingen dat niet alleen maar slecht is.”

Hoeveel tijd besteedt u aan de procedures die bij een opdracht horen?

„Heel veel. Ik heb altijd wel een stuk of tien projecten lopen en dat is maar goed ook, want die projecten zijn erg ingewikkeld als het gaat om procedures. Ik ben nu een rotonde in Leeuwarden aan het maken. De ambtenaren met veiligheid in hun portefeuille hebben veel macht, want tegen veiligheid is niks in te brengen. Een rotonde is daarom tegenwoordig zo gemaakt dat je zelfs met een tank niet rechtdoor kunt rijden en alle andere aspecten dan veiligheid volstrekt genegeerd worden. Het ziet er niet uit! Ik erger me suf aan die betonnen onzin. En tot overmaat van ramp staat er dan ook nog een kunstwerk op. Toen ik die opdracht in Leeuwarden kreeg, wilde ik daar eens flink tegenaan. Dan blijkt dat die hele cultuur van rotondes op aannames is gebaseerd, er zijn geen wetten en regels. Maar het gesprek over mijn rotonde heeft vier jaar geduurd. Mensen hebben vaak geen zin om een moeilijke weg te gaan, maar in Leeuwarden stonden ze ervoor open. Dat bedoel ik met de rol die een kunstenaar zou kunnen hebben: een peuteraar die dogma’s en vastgeroeste systemen kan losweken. Dat doe ik graag.”

En uw rotonde wordt geen lelijk onding?

„We hebben de veiligheidscriteria zo kunnen toepassen dat het niet tot idiote maatregelen leidt. Mijn rotonde bestaat alleen maar uit water, je rijdt om water heen. Het wordt een enorm bubbelbad. Een technicus heeft een systeem van dozen ontwikkeld die onder water aan één kant scharnieren en daar wordt lucht onder gepompt. Als er genoeg lucht inzit kiepert-ie om en ontstaat een enorme bubbel aan de oppervlakte. Zeventig van die dozen maken een groot spektakel.”

Alsof er een auto in is gezonken waar de lucht uit ontsnapt?

„Of een walvis die een scheet laat. Het wordt een waanzinnig ding. Het is veilig, maar het lijdt niet onder de maatregelen die de veiligheid garanderen. Uiteraard kan een gek er ook inrijden, zoals hij in een gracht kan rijden, of tegen een muur. Ook tegen een betonnen rotonde kun je je te pletter rijden. Een goed kunstwerk zorgt dat er iets aan de hand gaat zijn, dat kan zo veel meer zijn dan een dingetje op een plek.”

Die keuze maakt u afhankelijk van de toestemming van anderen. Dat is bij ‘vrije’ kunstenaars wezenlijk anders.

„Daarom gaan heel veel projecten niet door, want ik ben redelijk compromisloos. Als je je met de samenleving bemoeit, krijg je de krachten van de samenleving op je dak. Dat is nu eenmaal zo.”

Inl: hansvanhouwelingen.nl

    • Dirk Limburg