#help ik lig onder een rots

Minder mensen gaan dood door een ramp En digitale communicatie maakt betere hulp mogelijk Slachtoffers kunnen twitteren, een Syrische arts helpt via YouTube

Verslaggever

Op het eerste gezicht lijken het droevige cijfers: vorig jaar eisten 552 rampen ruim 15.000 mensenlevens. Toch was 2012 geen rampjaar. Integendeel, het was het laagste rampenaantal in tien jaar tijd. En hulporganisaties zijn dankzij digitale communicatie steeds beter in staat om hulp te bieden, al geldt dat nauwelijks voor ontwikkelingslanden.

Dat blijkt uit het Wereld Rampen Rapport dat het Internationale Rode Kruis vandaag publiceert. Voor het Rode Kruis heeft een ramp vier kenmerken: er zijn minstens tien mensen bij omgekomen en minstens honderd mensen zijn gewond geraakt of behoeven noodhulp. Ook hebben lokale autoriteiten een noodtoestand afgekondigd en om internationale hulp gevraagd.

Zulke rampen kwamen vorig jaar 552 keer voor. Dat is weinig vergeleken met aantallen van ver boven de 700 in de afgelopen jaren. Daarnaast is het totale dodental van rampen in 2012, 15.000, slechts een tiende van het gemiddelde slachtoffercijfer in voorgaande jaren. Dodelijkste ramp was tyfoon Bopha in het arme zuiden van de Filippijnen. Daarbij kwamen bijna 2.000 mensen om.

Terwijl er minder mensen omkwamen bij rampen, liepen de schadekosten niet terug. Rampen in 2012 kostten 116 miljard euro. De duurste was de door westerse media meest belichte ramp: orkaan Sandy aan de Amerikaanse oostkust eiste relatief weinig slachtoffers, met schadekosten van ruim 37 miljard euro.

Hulporganisaties en overheden kunnen dankzij digitale communicatiemiddelen, zoals sms-waarschuwingen en twittercommunicatie, beter hulp bieden in rampgebieden, zo stelt het Rode Kruis.

De duidelijkste voorbeelden daarvan komen uit ontwikkelde landen waar sociale media en mobiele telefoons wijdverspreid zijn.

Bijvoorbeeld in Japan – een wereldwijde koploper op het gebied van technologie en rampvoorbereiding. In 2011 kwamen uit de door de tsunami getroffen gebieden duizenden twitterberichten waarin slachtoffers om hulp riepen. Lezers van de tweets stelden hulporganisaties op de hoogte. Tegelijkertijd inventariseerden hulpverleners waar de twitterberichten vandaan kwamen. Zo was snel bekend waar hulp nodig was.

Een ander digitaal platform waar mensen in rampgebieden profijt van hebben, is YouTube. Zo biedt de Syrische dokter Zahel Sahloul vanuit zijn huidige woonplaats Chicago medische hulp aan slachtoffers van de oorlog in Syrië via diverse instructiefilmpjes. Op de video’s legt hij uit hoe ernstige wonden behandeld moeten worden. Internet mag dan op veel plekken in Syrië niet voorhanden zijn, toch weet Sahloul medisch grondpersoneel te bereiken. Via Skype spreekt hij met doktoren in Damascus.

Ontwikkelingslanden hebben veel minder profijt van de digitale mogelijkheden in rampscenario’s. Reden daarvoor is volgens het Rode Kruis de digital divide: ontwikkelingslanden – gebieden die het meest worden geraakt door rampen – hebben de minste beschikking over digitale middelen.

Het aantal mensen dat te maken had met een ramp mag dan gedaald zijn op wereldschaal, in de armste landen nam dat aantal juist toe, tot bijna 32 miljoen. En juist mensen uit die gebieden hebben nauwelijks toegang tot technologie die levens kan redden.

    • Tom Vennink