Na 18 eeuwen speelt Romeins orgel weer

Muziekarcheologe Susanne Rühling bouwde een replica van een Romeins orgel uit het jaar 228. Uit de 52 pijpen klinken panfluit-achtige geluiden.

Replica van het Romeinse orgel in het Römisch-Germanischen Zentralmuseum in Mainz. De foto toont de achterzijde. Foto K.M. Schreiber (A.Schuke Potsdam-Orgelbau )

„Veel dat ik bij pianospelen had geleerd heb ik moeten afleren”, zegt muziekarcheologe Susanne Rühling. „Voor het bespelen van de replica van een Romeins orgel heb ik bijvoorbeeld juist een stijve pols nodig, heb ik proefondervindelijk ontdekt.”

Rühling heeft vorig jaar met orgelbouwer Michael Zierenberger een Romeins orgel gereconstrueerd en gebouwd. Deze zomer heeft ze de replica met een concert gepresenteerd in het Römisch-Germanisches Zentralmuseum in Mainz, dat veel aan experimentele archeologie doet en Rühling een beurs voor de bouw van de replica heeft gegeven. Het is tot en met 3 november te zien in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen.

Het nagebouwde orgel is zeer compact en bestaat slechts uit 52 koperen pijpen, dertien houten toetsen en vier registers. Drie rijen pijpen zijn voorzien van een houten deksel, dat de toon verlaagt. De toetsen hangen aan bronzen veren. Het geluid dat het orgel voortbrengt lijkt op dat van een panfluit.

De replica is vooral gebaseerd op het bijna complete orgel dat in 1931 in de Hongaarse hoofdstad Boedapest is gevonden. In 250 na Christus, toen Boedapest de hoofdstad Aquincum van de Romeinse provincie Pannonia Inferior was, is het hoofdkwartier van de brandweer afgebrand. Op wonderbaarlijke wijze is het orgel, dat volgens een wijdingstekst in 228 door een lokale politicus aan de brandweer was geschonken, toen bewaard gebleven.

„Sinds de vondst zijn onderzoekers bezig geweest om orgelreplica’s te maken”, vertelt Rühling. Daarbij baseren ze zich niet alleen op de orgelresten uit Boedapest, maar ook op verwijzingen in literatuur, onder andere bij de Romeinse architect Vitrivius (eerste eeuw voor Christus), en afbeeldingen als op het mozaïek van Mariamin in Syrië en de obelisk van Theodosius in Istanbul.

De meeste van de replica’s gaan terug op het orgel dat in 1970 is gebouwd door de Duitse orgelbouwer Werner Walcker-Mayer. „Die replica is vooral interessant als onderdeel van de reconstructiegeschiedenis”, stelt Rühling, die bezig is met een proefschrift over Romeinse orgels. Sommige andere replica’s hebben tinnen pijpen. „Maar uit natuurwetenschappelijk onderzoek is bekend geworden dat de pijpen bestonden uit een legering van koper. Dat maakt veel uit voor de klankkleur.”

Nog een belangrijk verschil tussen eerdere replica’s en die van Rühling en Zierenberger: bij de vroegere replica’s zaten de toetsen, net als bij moderne orgels, vast met assen, bij de nieuwe met bronzen veren. „Als archeologe heb ik meer naar de oorspronkelijke vondsten gekeken – ik heb bijvoorbeeld de resten van Aquincum in handen gehad – en ik vond geen assen, maar wel veren. Ook in bronnen uit de middeleeuwen wordt van een veerconstructie gesproken.”

De veerconstructie is van invloed op de manier waarop het orgel bespeeld moet worden, ontdekte Rühling. „Als je de toetsen met je duim aanslaat, maak je een zijwaartse beweging. Door de veer beweegt de toets dan ook zijwaarts; dat leidt tot onzuiver aanspelen en beschadigingen aan de veer. Later hoorde ik dat de vroegste orgelboeken uit de Renaissance ook aanraden om bij orgels met veerconstructies de duimen niet te gebruiken.”

Rühlings replica wordt aangeblazen met een moderne ventilator. Oude orgels werden met een blaasbalg aangeblazen of met een luchtstroom die door vallend water werd opgewekt. Rühling: „Maar van het orgel van Aquincum is niets bewaard gebleven dat daarover uitsluitsel geeft. Voor de toon van mijn replica maakt het niets uit.”

Getuige de afbeeldingen hebben de Romeinen het orgel voornamelijk in het theater en het circus en niet bij religieuze riten gebruikt. Rühling denkt te weten waarom: „Instrumenten als de lier en de panfluit hebben allemaal een goddelijke oorsprong. Het orgel niet; dat is volgens de overlevering in de derde eeuw voor Christus uitgevonden door een mens, Ktesibos uit Alexandrië.”

    • Theo Toebosch