Het broodje bal-gevoel

Het boek over ex-voetballer en tv-figuur René van der Gijp won gisteravond de NS Publieksprijs Tv-exposure is niet de enige verklaring voor zijn succes Waarom scoren sportboeken?

Illustratie Thinkstock

Verslaggever

Het is natuurlijk simpel: de tv hielp. Zonder de aandacht in het tv-programma Voetbal International, wekelijks goed voor zo’n 900.000 kijkers, was het succes van het boek Gijp van Michel van Egmond minder groot geweest. Het was, op de Vijftig tinten-serie na, het grootste verkoopsucces van het afgelopen jaar. Gisteravond kwam het als winnaar uit de bus van de NS Publieksprijs.

„Wie op tv is, verkoopt het dubbele aantal boeken”, geeft VI-hoofdredacteur Johan Derksen toe, zonder enige gêne. „Sinds Hugo Borst minder vaak op tv te zien is lopen zijn boeken minder goed, terwijl ze zeker niet slechter zijn geworden.” En de heruitgave van Jan Boskamp. Geen gezeik, over oud-voetballer Jan Boskamp, is juist succesvol omdat hij nu vaak op tv te zien is bij VI. „Toen het eerder verscheen in 2008 liep het veel minder goed”, zegt sportschrijver Arthur van den Boogaard.

Maar tv-exposure is niet de enige verklaring voor de recente opbloei van het sportboekengenre, dat successen kende als de biografieën van voetbal-BN’er Hans Kraay jr. en voetballer Zlatan Ibrahimovic, en Geen genade over Andy van der Meijde.

Er is ook een inhoudelijke verklaring, weet Derksen: „Wij van Voetbal International richten ons op een vergeten groep lezers. We zijn geen interessantdoenerige uitgeverij in de ivoren toren van de grachtengordel. Wij gaan op de stoel van de voetballiefhebber zitten en weten wat de doelgroep wil.”

Dat is bijvoorbeeld: voetbalhumor. Gijpiaanse moppen, die misschien „ietwat plat” zijn en waar „deftige uitgevers een vies gezicht bij trekken”, volgens Derksen. Maar die humor maakt wél dat mensen graag op tv naar René van der Gijp kijken. „Die relativerende humor, dat schamper doen, dat spreekt aan”, zegt ook Van den Boogaard. „Het is de humor die veel mensen kennen van de voetbalkleedkamer.”

Jongensboek

Bovendien zijn voetbalboeken soms net jongensboeken: de (waargebeurde) escapades van Andy van der Meijde, met seks en criminelen, lezen als een schelmenroman. Hij is „de juiste hoofdpersoon” voor een sportboek, zegt Derksen: een kleurrijk figuur. Bij uitgeverij Voetbal International verschijnen binnenkort boeken over de „ondeugende” Glenn Helder en de avonturen van Fernando Ricksen, „waar je mond van openvalt”. Ook komt er een boek over John (zeg: Sjon) van Zweden, een Haagse handelaar in behang, die tevens mede-eigenaar is van het Britse Swansea City.

Zijn de voetbalboeken dan misschien een soort Snelle Jelle, Kick Wilstra of De AFC’ers voor wat grotere jongens? „Nee”, zegt Van den Boogaard stellig. „Die verhalen gaan over jongensdromen en over helden. Bij boeken als Gijp gaat het juist over een antiheld, over de platheid van de voetbalkantine waar je met z’n allen staat te kankeren en een broodje bal haalt.”

Levensfilosofie

Die ‘menselijke’ aanpak is tekenend voor het sportverhaal van nu. Het gaat niet over de snelle passes en knappe doelpunten, maar over de mens daarachter. Gijp gaat over de depressie waaraan René van der Gijp leed én de montere levensfilosofie die hem er weer bovenop kreeg.

„In een boek heb je de ruimte voor die menselijke verhalen die in de sportverslaggeving minder aan bod komen”, zegt Maarten Boers, uitgever van wielertijdschrift De Muur en sportboekenredacteur bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. „Sportboeken zijn een aanvulling op mooie sportherinneringen: wat gebeurde er op het WK van 1974 achter de schermen, hoe ging het onderling in de kleedkamer? Dan kun je meeleven.”

Minstens zo belangrijk voor het succes van Gijp was de fijne pen van Michel van Egmond, denkt Boers. „Je hebt een goede stijl nodig om de mond-tot-mondreclame te krijgen die Gijp groot heeft gemaakt.”

Derksen: „Het liefst heb je een smeuïg verhaal én een goede schrijver. Maar alleen een spannend verhaal voldoet in dit genre ook, hoor. Boeken schrijven is niet iets voor de happy few. Iedereen kan het.”

    • Thomas de Veen