Gek op mensen in de marge

Jan Hoek is al sinds zijn jeugd gefascineerd door het ongewone. Als fotograaf en schrijver haalt hij mensen dichtbij die anderen op afstand willen houden.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Verslaggever

Fotograaf en schrijver Jan Hoek (29) is gefascineerd door mensen met „breukjes”. Junks met een modellendroom, lilliputters die het geloof verkondigen, vrienden met liefdesverdriet. Hij fotografeert ze en schrijft er teksten bij. „Het is de kick van iemand dichtbij halen die anderen op afstand willen houden.” Hoek speelt daarbij voortdurend met verwachtingen, van de fotograaf, de kijker en het model: wat gebeurt er als je een verslaafde in huis haalt en haar fotografeert? Wat als zij dan de hoop krijgt dat ze fotomodel kan worden? En wat gebeurt er als je dan een serieuze fotoshoot voor haar organiseert?

Jan Hoek werd op zijn 21ste (een beetje) bekend als hoofdredacteur van online jongerenmagazine Spunk. Onder zijn aanvoering werden er artikelen geschreven met tips om de H&M leeg te roven. Hij introduceerde een dag- en nachtprogrammering op de site. ’s Nachts konden bezoekers er terecht voor onderwerpen die ‘een beetje cult, interessant en ook ontzettend vies’ zijn: octopusporno, verkrachtingsfantasieën en rondvliegende ledematen.

Afgelopen januari mocht Jan Hoek zijn eerste solo-expositie inrichten in fotografiemuseum Foam. Hij hing er honderden portretten op. De tentoonstelling werd positief ontvangen – Hoek wordt origineel en intrigerend genoemd. Onlangs kreeg hij een startersstipendium, dat hij gebruikte om Masai, een Tanzaniaans herdersvolk, te fotograferen. En gisteren verscheen zijn tweede boek: Marktplaatspoëzie, een verzameling „ontroerende” Marktplaatsadvertenties, die hij wekelijks in deze krant publiceerde.

Jan Hoek denkt associatief. En zo praat hij ook. Hij rijgt het ene voorbeeld aan het andere. „Die oproepjes op Marktplaats zijn zo bijzonder, omdat iedereen er wel iets in herkent. Zo van: dat heb ik ook weleens gehad, maar ik zet dat echt niet op papier. Dat is ontroerend. Net zoals we downsyndroompjes ontroerend vinden.”

Waar komt die interesse voor het ongewone vandaan?

„Ik weet niet hoe ver je terug wilt gaan? Toen ik twaalf was lag er bij het station een doos waarin een zwerver sliep. Hij had plaatjes uit seksboekjes in die doos geplakt. Dat vond ik zó lief. ”

Wat is daar lief aan?

„Dat je in een doos woont en het alsnog gezellig probeert te maken. Dat mensen onder alle omstandigheden een plek voor zichzelf maken waar ze het leuk vinden.

„Het leuke aan fotografie is dat ik nu een reden heb om op al die mensen af te stappen. Mensen van wie ik op mijn twaalfde dacht: hoe zouden ze leven? Nu kan ik met ze mee naar huis zonder dat ik overkom als een psychopaat.”

In Tanzania fotografeerde je Masaikrijgers, waarom?

„In het Westen kennen we één beeld van Masai: mensen in rode doeken die staan te springen in de natuur. Ik kom in Afrika alleen in steden, daar zie je moderne Masai. Die hebben wel hun hele oor uitgerekt, maar dan gebruiken ze dat gat om een mobiel in te klemmen. En ze hebben Nikes onder hun rode doeken.

„Ik heb er zeven gevraagd hoe zij gefotografeerd wilden worden. De één wilde op de foto als zakenman. Een andere wilde verkleed als spin.”

Wat wil je met die foto’s?

„Ik wil een beeld laten zien dat de kijker niet kent. En een beeld dat de Masai zelf ook niet kennen. Masai zijn misschien wel de ongrijpbaarste mensen van deze planeet. Met de inkervingen in hun huid, hun opgestretchte oren, hun avant-gardistische kapsels. Wat ik zo interessant vind aan zo’n project is dat je een heel klein beetje leert hoe zij naar dingen kijken.”

Jan Hoek is „verwekt” in een woongroep in Utrecht. Zijn vader is dokter, zijn moeder tentoonstellingsmaker. Het was er een „megamix van linkse, idealistische mensen”. Vlak na zijn geboorte besloten zijn ouders te verhuizen. In de woongroep was ruzie ontstaan over Pippi Langkous. „Dat was een kapitalist met een schatkist.” Maar zijn ouders vonden elkaar óók niet zo leuk meer. Ze kochten in Utrecht een huis met drie verdiepingen. De bovenste was voor zijn moeder. Zijn vader bewoonde de begane grond. En Jan Hoek, die woonde ertussenin.

Op je twaalfde vertrok je met je moeder naar Amsterdam. Daar droomde je van.

„Ik dacht: in Amsterdam zijn de mensen vast nog leuker. Ik vond Utrecht toch te… Ik had al heel erg jong behoefte aan een wereld waarin alles mogelijk is. Dronken mensen die je over straat ziet lopen. Of mensen die op een zeepkist het geloof verkondigen. Het grootse leven.”

Utrecht was al op je twaalfde te klein voor jou?

„Ja. Maar dat klinkt zo stom. Alsof ik Madonna ben die in een dorpje de taxi neemt en zegt: Take me to the centre of everything… Ik zocht naar een plek met verschillende soorten mensen, een plek waar rare dingen konden gebeuren.”

Waarom?

In een adem: „Ik krijg het benauwd als iedereen hetzelfde is. Ik kom net terug uit Tanzania. Daar heb je Masaikrijgers. Toeristen. Lijmsnuivende kinderen. Terug vloog ik met een Duitse luchtvaartmaatschappij. Het vliegtuig zat vol met mensen die in hetzelfde resort hadden gezeten. Duitsers in fleecetruien die aan het klagen waren dat de Cola Light op was. Toen nam ik twee slaappillen omdat ik dacht: ik wil hier weg.”

In Amsterdam, op het Fons Vitae Lyceum, voelde Jan Hoek zich aanvankelijk niet thuis. „De stoerste jongen in de klas was een jongen die stenen naar eenden gooide.” In een andere klas ging het uiteindelijk beter. Met zijn vriendinnetje Yasmine organiseerde hij ‘kleurtjesdag’ en ‘netjesdag’. „Dan gingen we allemaal in pak naar school. De hele klas. Of we droegen allemaal alleen maar felle kleuren.”

Waarom krijg je het zo benauwd als iedereen hetzelfde is?

„Ik vind het niet stom als iemand in een vinexwijk gaat wonen. Ik denk alleen: stel je voor dat ik daartussen woon, dan ben ik die gek. Ik zie mezelf alleen niet als een gek omdat ik in een pand woon met nog veel gekkere mensen.”

Zou je vrienden kunnen worden met die mensen uit het vliegtuig?

„Jawel... maar alleen als ik de tijd zou krijgen om te kunnen spitten in die opgeruimde zielen. Ik vind iemand gewoon een stuk beter te doen als ik weet dat-ie zijn hond mishandelt. Al ben ik niet voor het mishandelen van honden. Snap je? Als mensen breukjes hebben. Dat is toch leuker?”

Doe je zelf weleens totaal onaangepaste dingen?

„In Tanzania ben ik overvallen toen ik ging internetdaten met een Afrikaan. Die had iets in mijn thee gedaan en toen werd ik veertien uur later wakker zonder laptop. Hij was vreselijk charmant. En ik was ook wel benieuwd hoe dat dan ging met dat drogeren. ”

Hè? Je wilde je laten drogeren?

„Nou ja, knock-out gaan is op zichzelf natuurlijk niet zo interessant. Maar je hoort altijd zulke schimmige verhalen – dat ze toeristen in de val proberen te lokken. Ik dacht: wat voor mensen doen dat dan? Hoe gaat dat?”

En?

„Dat weet ik nu. Het was eigenlijk meteen heel schimmig. Hij gaf alleen maar hele korte antwoorden. En hij was vooral geïnteresseerd in wat voor drank ik in huis had.

„Ik whatsapp nu met mijn dief. Hij bedreigt mij. Hij zegt dat hij compromitterende foto’s van mij heeft. Daar ben ik wel benieuwd naar. En ik bedreig hem. Want ik hoop natuurlijk dat ik mijn laptop terugkrijg.”

Ga je er een project van maken?

„Ik heb plannen voor een roman met Renske (de Greef) over een fotograaf die verslaafd raakt aan extreme dingen fotograferen. En daar dan ook steeds meer verstrikt in raakt.”

Een autobiografie?

„Nee, de thematiek raakt mij wel. Maar ik ken de grenzen.”

Waarom een roman?

„Juist omdat ik niet gek ben, kan ik heel veel dingen niet doen. Die dief is wel een beetje de grens. Terwijl er nog heel veel dingen zijn waar ik benieuwd naar ben. In een boek zijn de mogelijkheden onbegrensd.”

    • Jan Hoek
    • Lineke Nieber