De Oscar voor het beste ding

Voorwerpen in films kunnen heel bepalend zijn: van de kousen van Mrs. Robinson tot het vloerkleed van Lebowski en het kruisbeeld uit The Excorcist. Maar de moeder aller filmvoorwerpen blijft de Heilige Graal.

De nominaties voor het beste ding:

Dingen. Ze komen er meestal bekaaid af in films. Soort zoekt soort: mensen kijken liever naar mensen. In de jaren twintig is even geprobeerd dingen een hoofdrol in films te laten spelen, als in Ballet Mécanique of Vormittagsspuk maar dat experiment is niet doorgezet, ondanks de menselijke neiging om ook in voorwerpen gezichten te zien. De bioscoop blijft een soort spiegel: als we niet onze eigen reflectie erin zien, dan toch het liefst die van een ander mens. Ook als bijrol stellen dingen meestal niet zo heel veel voor. Hitchcock gaf ze de status van MacGuffin: een ding is iets wat de plot vooruit helpt maar er eigenlijk niet toe doet. Het dedain voor het ding vindt een vroeg hoogtepunt in The Maltese Falcon (1941), waarin het beeldje van een valk uit de titel niet eens voorkomt. Het gaat om de mensen. Zou er wel eens uitgerekend zijn hoeveel procent van een film je gemiddeld naar een gezicht zit te kijken? Sterren zijn in de bioscoop geen dingen maar mensen. ‘Asta Nielsen’, zei mijn oma, en sloeg haar ogen ten hemel. Negentig jaar later zwijmelde ze nog bij de herinnering aan het gezicht van deze Deense ster van de stomme film. Ze sloot dan even haar ogen om het in close-up te zien. Over dingen heb ik haar nooit gehoord.

Desondanks heeft de Amerikaanse filmjournalist Scott Jordan Harris in zijn boek Rosebud Sleds and Horses’ Heads (Intellect Books, 111 blz.) vijftig dingen weten te verzamelen die in de bioscoop onvergetelijk zijn geworden. In chronologische volgorde gaat het van de klok waar Harold Lloyd aan hangt in Safety Last! (1923) tot de rugzak van Ryan Bingham (George Clooney) uit Up in the Air (2009). Daartussen klassiekers als de kinderwagen uit Pantserkuiser Potjomkin, de plastic zak uit American Beauty en de schaakstukken uit Bergmans Het zevende zegel. Harris’ definitie van dingen is ruim: hij gaat van munten tot bruggen, van trappen tot jurken. In het boek staan geen foto’s van de vijftig voorwerpen, maar tekeningen. Een gekke keuze, want je wilt die dingen zien. Eenmaal aangestoken door zijn enthousiasme blijkt het niet moeilijk nog een heleboel dingen uit het geheugen tevoorschijn te toveren: van het vloerkleed uit The Big Lebowski tot het kruisbeeld uit The Exorcist, van de ijsblokjes in Do the Right Thing tot de paraplu van Mary Poppins, van de volleybal in Cast Away tot het tennisracket dat Jack Lemmon als vergiet voor spaghetti gebruikt in The Apartment. Opeens lijkt er juist wel een eindeloze stoet dingen in de bioscoop bijzonder te zijn geworden. En wat te denken van Zabriskie Point (1970) van Antonioni, de film die eindigt met het telkens weer opblazen van een huis en alles wat daarin verzameld is, van televisies en ijskasten tot kleren en meubels. Een orgie van destructie, nooit waren de dingen zo mooi als tijdens hun vernietiging.

Drie categorieën zijn in het boek ruim vertegenwoordigd: vervoersmiddelen, moordwapens en kledingstukken. Er staat een hele garderobe in; de ruby slippers uit The Wizard of Oz, de kousen van Mrs. Robinson, de rode jas van het kleine meisje uit Schindler’s List en de hoed van Indiana Jones.

Van Indiana Jones zou wat mij betreft nog beter een ander ding kunnen worden verkozen, hoe goed die hoed Harrison Ford ook staat. Dat is het ding der dingen, de moeder aller MacGuffins, de Heilige Graal zelf. Die beker zegt veel over de manier waarop er in films en daarbuiten doorgaans tegen de dingen wordt aangekeken. Tegen het einde van Indiana Jones and the Last Crusade (1989) komt de Heilige Graal eindelijk in beeld. Op een tafel in een moeilijk bereikbare grot (understatement) staan tientallen bekers uitgestald. Maar welke is de Graal? Uit welke beker heeft Jezus gedronken (of zoiets), in welke beker zit de vloeistof die eeuwig leven geeft? Is het de grootste, de duurste, de rijkst versierde, die van goud, die van zilver met robijnen, die van met ebbenhout ingelegd ivoor? Indy aarzelt. Maar hij moet opschieten. Zijn vader ligt op sterven en alleen de Graal kan hem redden. Dan gaat zijn hand trefzeker naar de tafel. Hij grijpt naast goud, naast zilver, naast ivoor, en pakt resoluut een onopvallende beker. En natuurlijk, dat is de beker die hij hebben moet, een beker waarvan de enige eigenschap is dat hij beker is. Hij is niet mooi, niet lelijk, niet groot, niet klein. Je kunt eruit drinken en dat is dat.

In Italië had je in de jaren dertig een filmgenre dat Telefoni Bianchi heette. Die films speelden zich altijd af in de betere kringen, waar de telefoons altijd wit waren. Fijne films over rijke mensen zijn er ondanks het neorealisme, de nouvelle vague en al die andere stromingen die de dingen van hun gewone kant willen laten zien nog steeds. De hang naar luxe is niet uit te roeien. Maar de moraal van het verhaal schrijft ook in de telefoonfilms en hun opvolgers altijd voor dat eenvoud overwint. Wij moeten leren schoonheid te zien in het nietige en nederige. Hout is beter dan goud, gewoon is beter dan gek. Die moraal zien we ook terug aan het slot van Mary Poppins, waarin vliegende paraplu’s het afleggen tegen vliegers en in The Wizard of Oz, waar Dorothy de magie van haar rode schoenen juist gebruikt om naar huis te gaan. De film eindigt met een close-up van haar gezicht. Orde hersteld. Maar die ruby slippers laten zich niet helemaal temmen.

    • Bianca Stigter