De ontsnappingskunstenaar als messias

Voor een ontsnapping uit een extra beveiligde gevangenis heb je enorm veel geduld nodig. Observatievermogen ook, en planning. Plus bewakers die zelf nooit een ontsnappingsfilm zagen.

Geheime gevangenis The Tomb, waar de CIA in Escape Plan zijn ongewensten dumpt, mag namelijk wel hightech ogen, met noviteit als plexiglas cellen en gemaskerde bewakers, in praktijk zou de graaf van Monte Christo nog ontsnappen. Het is zo knullig: bewakers die met mitrailleurs over de afdeling lopen, gedetineerden die de hele dag rondhangen in een kantine om elkaar scherpe voorwerpen door te geven en ontsnappingsplannen te beramen.

In Escape Plan wil Sylvester Stallone eruit. Hij is ‘de moderne Houdini’ Ray Breslin, die undercover gaat als gedetineerde om de beveiliging van gevangenissen te testen. Nu loopt hij in de val, en misschien kan Rottmayer (Arnold Schwarzenegger met baardje) helpen. Hij was adjudant van Mannheim, de supercrimineel die „steelt van de rijken, en geeft aan de armen”.

Vleestaarten Stallone (67) en Schwarzenegger (66), in de jaren tachtig strijdend om wereldheerschappij, hebben hun uiterste houdbaarheid allang bereikt. In clichéfestival Escape Plan klampen ze zich aan elkaar vast in hun strijd tegen de jaren, zwaartekracht en dalende recettes. Het is niet vreemd dat ze daarbij kiezen voor een ontsnappingsfilm. Dat is een zeer populair genre: zo is The Shawshank Redemption (1994) al jaren de favoriet van bezoekers van filmsite IMDb. De ten onrechte veroordeelde Tim Robbins laat zich in die film niet breken door seksueel misbruik of uitbuiting en ontsnapt. Zo hoort dat: de onschuldige of veel te zwaar gestrafte held laat de hoop nooit varen. Achter de tralies sluit hij vriendschap met een oudere, cynisch geworden gedetineerde die namens ons observeert of vertelstem is. Het corrupte, sadistische systeem tracht zijn ziel te breken, de ontsnapping biedt ons allen hoop.

Een heel vroege ontsnappingsfilm is I Am a Fugitive from a Chain Gang uit 1932, waar oorlogsveteraan James Allen (Paul Muni) ten onrechte in een werkkamp belandt. Hij ontsnapt, wordt daarna weer vermalen door het systeem, en is bij zijn tweede ontsnapping in een gewelddadige anarchist met rollende ogen veranderd. „Hoe overleef je?”, vraagt zijn vriendin de voortvluchtige Allen. „Ik steel”, mompelt hij, en verdwijnt in de schaduw.

Zo’n subversieve moraal – de gevangenis kweekt criminelen – kon alleen op het hoogtepunt van de Grote Depressie: niet lang daarna werd de censuur aangetrokken en vermeed Hollywood harde maatschappijkritiek. Bovendien: de Tweede Wereldoorlog maakte ontsnappingsfilms zonder criminelen mogelijk, uit Duitse krijgsgevangenkampen namelijk.

Pas vanaf de rebelse jaren zestig werd het modieus de gevangenis te hekelen en de crimineel als charismatisch rebel af te schilderen. Beter nog dan Papillon (1973) is Cool Hand Luke (1967), waarin ontsnappingskunstenaar Paul Newman de spot drijft met het gezag, een bewaker met spiegelbril. De macht is gevoelloos, Luke een messias: juist omdat zijn strijd uitzichtloos is, inspireert hij. Stallones is als Breslin een echo van Luke. Een heel verre echo.

Coen van Zwol