De liefde voor zelfgemaakte appeltaart

Ruik ik de herfst, dan ruik ik rotte appels. In de achtertuin van mijn ouderlijk huis stond een joekel van een appelboom. De vruchten aan de hoogste takken waren zelfs met een ladder onbereikbaar. Bij de eerste forse herfststorm woeien al deze hoog hangende, door wespen aangevreten appels, op de grond waar ze onder invloed van wat regenbuien al snel in een onwelriekende pulp veranderden. Zo’n hekel kreeg ik aan de lucht die hieruit opsteeg, dat ik op een gegeven moment zelfs niet meer kon genieten van de appelmoes die mijn moeder van de lager hangende, nog wel op tijd geplukte appels maakte.

De liefde voor zelfgemaakte appelmoes met veel kaneel en suiker – bij voorkeur nog een beetje lauw – is inmiddels weergekeerd. Maar ik blijf allergisch voor die herfstige lucht van appels die iets te lang zijn blijven liggen.

Gelukkig kun je met zo’n appel-overschot een prima taart bakken of appeltjes uit de oven maken, met rozijnen, boter en suiker. Of je maakt deze variatie op het thema: mini-appeltaartjes. Bereid ze tussen de bedrijven door terwijl je staat te koken en zet ze als je aan tafel gaat in de oven. Dan zijn ze tegen toetjestijd klaar

Schil de appels en snij ze doormidden. Verwijder het klokhuis. Bestrooi de appel met kaneel en leg op de plek waar het klokhuis zat een plakje amandelspijs. Sprenkel er wat citroensap over en naar wens en smaak een scheutje calvados. Maak een deegje van de basterdsuiker, de boter, het zelfrijzend bakmeel en een snufje zout. Rol het uit en steek er zes rondjes uit die mooi op de appels passen. Leg de deeglapjes over de amandelspijs en werk de randjes netjes af. Vet een ovenschaal in met boter en leg de appeltjes erin. Snij aan de onderkant een schijfje weg, zodat ze niet zo wiebelen Kwast de deegdekseltjes in met wat losgeklopt ei en zet ze een half uurtje in de oven (180 graden). Serveer met wat room of ijs.

    • Roos Ouwehand