Renske en ik

Renske de Greef gaat op reis en stopt als columnist op pagina 2 Al moest Marcel van Roosmalen lang aan haar wennen, hij gaat haar missen ‘Of ik het nu wilde of niet, Renske kroop onder mijn huid’

Ik kende Renske de Greef van de fotootjes bij haar column, die ik eigenlijk nooit las. Ik had haar weleens gezien bij Nightwriters en een keer gehoord op de radio bij Giel Beelen, die erin knalde met de vraag: „Renske de Greef, van jou willen we maar een ding weten: scheer je je poes?” waarna er een stilte viel. Een lief, mooi meisje uit Amsterdam-Zuid of Het Gooi, dat is wat ik dacht.

Ergens in het voorjaar van 2012 ontmoette ik haar voor het eerst in haar flatje in Amsterdam-Oost voor een fotosessie. We gingen ‘haar column’ voortaan om beurten schrijven, iets wat ze ‘helemaal, totaal niet erg’ vond omdat een dagelijkse column haar hele leven opzoog, wat andere projecten als het schrijven van een roman bemoeilijkte. „Niet dat het schrijven zoveel tijd kost, maar ik denk er wel de hele tijd aan.”

„Ja, ja”, zei ik en ik vroeg waar ik mocht roken. Even later stond ik op het balkonnetje van haar rommelige keukentje, de fotograaf bouwde een hele stellage met witte lappen en lampen voor ons. Renske verdween in haar slaapkamer, waar ze kleding sorteerde op kleur, voor op de foto. Af en toe informeerde ze of ik nog thee wilde.

We voelden ons allebei ongemakkelijk.

Dat we vechtend op de foto moesten hielp ook niet. Op commando van de fotograaf sloegen we elkaar met kussens, hielden we denkbeeldige pistolen tegen elkaars hoofd en probeerden we elkaar te wurgen.

Na afloop dronken we een kopje thee, we wisten elkaar niets te zeggen, behalve dan ‘succes’. Wat ik toen allemaal dacht weet ik niet meer. Ja, dat ze bizar lang is, en dat ergens een nog langere vriend – Sieger – op de kop had getikt, dat er aan haar mobieltje twee plastic konijnenoortjes hingen en dat ze een gouden ketting om haar hals had met de tekst ‘knolraap’. Ik zei daar verder niets van. Als ik haar toen met een beest had moeten vergelijken zou ik gezegd hebben: een hert, Bambi in het kwadraat.

Twee weken later belde ze. Of ik ook zo’n ‘euh bah-gevoel’ had als ik de krant opensloeg en naar die fotootjes keek, waarop we als een soort Beauty & The Beast figureerden. Veel lezers dachten dat we een hekel aan elkaar hadden, dat zagen we op Twitter, waar de Renske-fans me ’s morgens begroetten met een welgemeend ‘gadverdamme, ik wil Renske terug’ en zij op haar beurt ‘een duffe muts’ werd genoemd.

We verzekerden elkaar dat we niets tegen elkaar hadden.

Vanaf dat moment ging ik haar lezen.

Renske nam me mee naar Lala-land, een wereld waarin ik een vreemdeling was. Er ging een doos aan belevenissen, gedachtenspinsels en probleempjes open, waar ik het bestaan niet van kende, en dat is nog zacht uitgedrukt.

‘Er was een tijd dat ik het gebruik van smileys in mails en sms’jes ongeveer hetzelfde vond als je belastingformulieren besprenkelen met glitters, of op je sollicitatiebrief alle i’s tooien met een hartje. Inmiddels ben ik voornamelijk bezig met de prangende vraag: hoe krijg je op een begrijpelijke manier een lachende smiley in een zin tussen haakjes? (Het resultaat is namelijk al snel een soort smiley met een onderkin :)).’

Ik had nog nooit zoiets gelezen.

In twee zinnen werden hier minimaal vier gedachtes beschreven, die nog nooit bij me op waren gekomen.

Wat ging er om in dat hoofd?

Wilde ik dit echt weten?

Zou ik, als ik dit bleef lezen, ook zo gaan denken?

Nee, dat toch niet. In begin zocht ik wanhopig naar een deksel om die doos dicht te doen, maar op de een of andere manier bleef ik lezen. Lang had ik me afgevraagd waar al die Renske-achtigen het op een mooie zomeravond in het park over hadden als ze zaten te kletsen op een kleedje, of elkaar met grote, bezorgde ogen zaten aan te staren vanachter een kop dampende thee in het café, maar nu wist ik het.

Of ik het nu wilde of niet, Renske kroop onder mijn huid. Eind vorig jaar schreef ze dat je in Kamp Amersfoort stukjes prikkeldraad kon kopen als souvenir, iets waar ik zelf allerlei gedachten over had. Ik betrapte mezelf erop dat ik wilde weten wat Renske ervan vond.

‘Maar toch – het bestaat vast wel, iets wat je wilt hebben, wilt uitstallen of ergens opbergen, ondanks dat het enkel verdriet oproept. Het verkreukelde bierviltje dat je in zijn jaszak vond met het lippenstiftnummer van een ander, de blauwe ziekenhuisslofjes die je steeds aan moet bij het bezoeken van de intensive care, misschien wel de kogel of de puntige tuinhark waar een geliefde door is gestorven. Eigenlijk zouden zulke aandenkens een andere naam moeten hebben. Oubliers bijvoorbeeld: zaken die je met veel liefde en zorg wilt bewaren om ze te kunnen vergeten.’

We moesten aan elkaar wennen, Renske en ik, maar toen de wederzijdse vooroordelen waren weggeruimd ging het best goed. Het gaat wat ver om te zeggen dat we vrienden zijn, maar er ontstond nieuwsgierigheid. Over veel dingen dachten we hetzelfde, wat ons alle twee bevreemdde. Ik kreeg oog voor haar vakmanschap, zag hoe knap het was wat ze deed op de vierkante millimeter.

Een paar weken geleden belde ze me op met de mededeling dat ze op wereldreis ging, samen met Sieger. Ik weet niet hoe ze gaan, en ook niet waar naartoe, maar bij het idee alleen al kreeg ik hele visioenen. Hoe ze met die lange lijven in een papieren vliegtuig zitten en ergens landen in Afrika. Ik zie ze al meehuppelen, nou ja Renske dan, met een of andere vreemde stam, maar het kan ook best zijn dat ze met een camper door Amerika rijden. Geen idee wat zich in dat hoofd afspeelt en welke verbanden daar worden gelegd. Misschien dat ze zich verbaast over de ongecontroleerde woordenstromen van de gemiddelde Cambodjaan en heeft ze hele gedachten bij een rare steen.

Ik wil er alles van weten.

‘Renske op wereldreis’ klinkt als een meisjesboek waarin de hoofdpersoon allemaal dingetjes meemaakt die er niet toedoen.

Renske op een kameel, en wat ze dan allemaal voelt.

Renske aan de diarree.

Renske die drinkt uit een kokosnoot.

Renske die ergens in Burkina Faso ‘ik hou van jou’-tekentjes op een spiegel staat te maken.

Met dit soort gedachten doe je onze hoofdpersoon tekort. Alsof Renske – die niet opgroeide in het Gooi, maar in een ‘hippiegezin’ in Utrecht – niet geweldig kan schrijven en het niet had over Bradley Manning, rolpatronen, privacy en niet het hatelijke gebruik van het woord ‘slet’ op de kaart zette.

Op haar reis over de wereld valt haar oog waarschijnlijk op dingen die anderen, mij in ieder geval, in eerste instantie niet opvallen, maar die de goede lezer een veel groter verhaal vertellen. Over ongeveer een half jaar horen we het, dan keert ze terug met een column in de zaterdagbijlage.

Gelukkig.