Meesterwerk met hinderlijke schittering

Caravaggio: ‘Een jongen gebeten door een hagedis’ Foto The National Gallery, Londen

Sinds de herontdekking van zijn werk ongeveer een eeuw geleden, is de schilder Caravaggio (1571-1610) een van de helden van de kunstgeschiedenis. Hij staat bekend om zijn talent voor het uitbeelden van de onopgesmukte werkelijkheid in scherpe licht-donkercontrasten. Geen enkele Nederlandse collectie bezit een schilderij van zijn hand. Het is dan ook verheugend dat de Haagse Galerij Prins Willem V de komende tijd een werk van de meester kan exposeren. En niet het minste: tijdelijk heeft de National Gallery in Londen afstand gedaan van het beroemde schilderij van een elegante jongen die tijdens het bloemschikken in een vinger wordt gebeten door een hagedis. Meesterlijk heeft Caravaggio precies het moment gevangen waarop de knaap, losjes gekleed en met een roos in het haar, paniekerig reageert op de onschuldige beet van het reptiel. Het doek is kenmerkend voor de muzikanten en straattypes die de schilder vroeg in zijn loopbaan schilderde.

Hoewel er aan de presentatie van zo’n topstuk weinig mis kan gaan, stelt die toch teleur. Het glas in de lijst vangt veel licht van de kroonluchters in de voormalige kunstgalerij van de Oranje-stadhouder Willem V. Het schilderij laat zich daardoor alleen vanuit ongemakkelijke hoeken zonder hinderlijke schittering bekijken. Opvallender nog is de summiere aandacht voor de context. In zijn tijd was Caravaggio een fenomeen en veel andere kunstenaars hebben zijn stijl nagevolgd. Voor de gelegenheid heeft het naburige, tijdelijk gesloten, Mauritshuis twee schilderijen uitgeleend die iets laten zien van Caravaggio’s invloed op de kunst van de zeventiende-eeuwse Nederlanden. Een gerimpeld oudje in kaarslicht van Rubens (1616), en een opgewekte vioolspeelster in halffiguur (1626) van Gerard van Honthorst zijn typisch voor het weinig samenhangende Europese caravaggisme.

Maar de charme van de galerij van prins Willem ligt juist in de presentatie van een relatief klein aantal, goeddeels ‘kleine’ meesters. Waarom bij deze bijzondere logeerpartij dan niet wat explicieter gebruikgemaakt van de schaarse Italiaanse schilderijen van onbekendere kunstenaars in de eigen collectie? Een werk als Giovanni Battista Langetti’s bestraffing van de mythologische reus Tityus illustreert hoe Caravaggio’s rauwe realisme ingang vond in de schilderkunst van het Italië van de latere zeventiende eeuw. En het grote, gepolijst-academische doek met Adam en Eva door Marcantonio Franceschini toont hoe andere schilders zich, een halve eeuw na Caravaggio’s dood, juist niets aantrokken van diens wonderbaarlijke effectbejag en bravoure.