In de praktijk Het helpt, zegt de juf, het is prachtig

foto Gideon Mendel / Corbis

verslaggever

„Oké”, zegt de juf. „Volgende vraag.” Midden in de ruime hal van de Montessorischool in Oegstgeest heeft ze haar bovenbouwklas om zich heen verzameld. Delibereren, zegt ze, betekent treuzelen. „Als je denkt dat dat waar is, mag je links gaan staan. Als je denkt dat het iets anders betekent, ga je rechts, bij de piano, staan.”

Vertwijfelde blikken over en weer. Een paar jongens lopen naar links, het grootste deel van de klas volgt. Bij de piano staan twee meisjes. Een jongen die achter de groep aanloopt, aarzelt en draait zich om – toch naar de piano. „Ik vind het heel goed wat je nu doet”, zegt de juf. Door bij nee te staan, had hij het goed. Maar dat bedoelt de juf niet. Nee, hij liep met de groep mee, om daarna toch een eigen, andere keuze te maken.

Groepsdynamiek, daar ligt de focus van de KiVa-aanpak. De klas strijdt samen tegen pesten. Iedereen voelt zich verantwoordelijk, waardoor je er nooit alleen voorstaat als je een slachtoffer beschermt. Voor de pester valt dan weinig status meer te behalen. In Finland gebruiken negen van de tien de basisscholen deze methode. En nu slaat deze methode ook in Nederland aan, zegt hoogleraar sociologie René Veenstra vandaag in zijn oratie.

De Montessorischool in Oegstgeest was één van de scholen waar het programma wordt getest. Zorgcoördinator Loes Remmerswaal vertelt dat de school al eerder een programma had dat „gericht was op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen”, met een lesonderdeel ‘de ander en ik’ waarin ook pesten werd behandeld. Met de komst van KiVa werd het anti-pestprogramma een stuk intensiever. Per klas is, nadat de kinderen een vragenlijst hadden ingevuld, een sociogram gemaakt van de onderlinge relaties. Zo kan de juf zien wie elkaar aardig vinden, maar ook wie worden aangewezen als pesters en meelopers. Er is elke week een KiVa-les van anderhalf uur, waar ook steeds de week daarvoor geëvalueerd wordt. En kinderen spelen regelmatig een speciaal computerspel dat ze leert om te gaan met pestsituaties.

Een jongen uit groep 8 (grijs shirt, kort, bruin haar) vertelt dat hij gepest werd. Toen hij in groep 6 zat, wachtten achtstegroepers hem regelmatig op na schooltijd. „Op het schoolplein is een klimmuur. Die werd dan de martelmuur genoemd. Daar werd ik geschopt en geslagen.” Een jongen die eerder nog zijn beste vriend was geweest, pestte ook mee. Toen de jongen net een nieuwe fiets had, pakten de pesters uit groep 8 de fiets op en lieten hem op het hek balanceren. „Toen gooiden ze hem eraf en was hij stuk.”

Bij de start van KiVa vorig jaar – de jongen zat inmiddels in groep 7 – waren de pesterijen niet gestopt. Daarom kreeg hij een ‘steungroep’ van klasgenoten die hem zouden helpen. In die groep zitten ongeveer vijf klasgenoten die samen met een leerkracht of intern begeleider afspreken hoe ze het slachtoffer kunnen helpen, zo concreet mogelijk. Ook de pester zit in dit groepje – zonder dat benoemd wordt dat hij of zij daar zit als pester.

Een meisje uit deze steungroep vertelt dat de groep besloot om regelmatig mee te lopen na schooltijd. Het was de bedoeling dat de positiviteit zou overslaan op de hele klas. En dat gebeurde. Het pesten was niet direct over, maar „sinds groep 7 werd het steeds beter”.

De sfeer werd zachter

Loes Remmerswaal zegt dat de KiVa-aanpak op haar school in Oegstgeest blijkt te werken. „De sfeer is anders geworden, zachter. En kinderen lossen vaker zelf iets op. Ze zeggen vaker: dit moet je niet doen.”

Is het niet heel moeilijk om open en eerlijk met kinderen te praten over pesten? Dat blijkt mee te vallen. Leerkracht Corretje van Walraven vertelt hoe zij werd verrast door haar kinderen toen ze in een les een pestsituatie wilde uitbeelden. De stoelen in de klas moesten de kinderen voorstellen. De pester, hoe moest die er uit zien? „Twee stoelen op elkaar!”, riep een kind. En het slachtoffer? Een omgevallen stoel, bedachten ze.

Van Walraven pikte een jongen uit de klas die niet per se in de groep van daders of slachtoffers hoorde. Hij moest van achter de gestapelde stoelen naar de omgevallen stoel kijken. „Hoe voelt dat?” Met verbazing antwoordde het kind: „Machtig.” „En ga nu eens naar het slachtoffer.” De jongen liep naar de omgevallen stoel, ging ernaast liggen en keek omhoog, naar de gestapelde stoelen. „Hoe voelt dat?” „Verdrietig.”

De juf richtte zich tot de kinderen. Ze keken ademloos toe. Wat konden zij nu doen om het slachtoffer te beschermen? Direct begonnen de leerlingen de andere stoelen in een kring om het slachtoffer te zetten. „Ze zagen het allemaal voor zich”, zegt Van Walraven. „Het was prachtig.” Sinds die oefening weet ze: „Deze kinderen kunnen abstracter denken dan ik voor mogelijk had gehouden.”