‘Deze code voor goed bestuur heeft tanden’

Onder leiding van hoogleraar Mijntje Lückerath werd een nieuwe code voor goed bestuur in de cultuur opgesteld.

Het Rijksmuseum maakt in zijn jaarverslag wel bekend wat de directie als geheel verdient (421.972 euro in 2011 voor drie directieleden), maar niet wat hoofddirecteur Wim Pijbes ontvangt. Foto ANP

De code voor goed bestuur in de culturele sector is aangepast. De nieuwe code, die de Stichting Cultuur-Ondernemen gisteren aan minister Bussemaker van OCW overhandigde, is eenvoudiger en dunner. Zo moet de code niet alleen voor grote professionele instellingen als het Rijksmuseum of het Concertgebouworkest hanteerbaar zijn, maar ook voor kleinere musea of gezelschappen die draaien op vrijwilligers.

Directeuren, bestuursleden, toezichthouders en andere betrokkenen hebben in gesprekken hun mening kunnen geven aan een werkgroep onder leiding van Mijntje Lückerath, hoogleraar Corporate Governance aan de Universiteit van Tilburg. Zij geldt in Nederland als een expert op het gebied van goed ondernemingsbestuur bij bedrijven en de daarvoor geldende Code Tabaksblat.

Is deze handzamere code een voorbeeld voor de non-profitsector?

„Ja, maar vooral omdat het een code is met tanden. Hij is weliswaar niet wettelijk verankerd, maar doordat naleving een subsidievereiste is van het Rijk, het Fonds Podiumkunsten en straks waarschijnlijk ook de gemeenten is de code indirect eigenlijk wel verplicht.”

Zijn principes van goed bestuur uit het bedrijfsleven zo over te plaatsen naar de culturele sector?

„Dat is soms lastig. Neem de nieuwe bepaling dat een directeur voor vier jaar wordt benoemd. Bij bedrijven is het hoge salaris ook een soort compensatie voor het tijdelijke contract. In de culturele sector zijn de beloningen echter niet zo hoog, maar wordt de rechtszekerheid door een benoeming voor maar vier jaar wel beperkt. Daar is flink over gediscussieerd. De dilemma’s zijn heel anders.”

Waar zit het grootste verschil?

„Heel interessant is de relatie tussen de artistiek leider en de toezichthouders. Die willen de artistiek leider niet beperken in artistieke vrijheid. Maar ze zijn wel verantwoordelijk als deze veel geld wil steken in een voorstelling of tentoonstelling, maar niet kan aangeven hoeveel publiek die zal trekken.

„Dan moeten toezichthouders daar iets van kunnen zeggen. Een toets of iets past in de strategie en doelstellingen van de instelling en wat de risico’s zijn voor de begroting en continuïteit van de instelling staat nu in de code.

„Waar de meningen ook over uiteenliepen, was of er rekening moet worden gehouden met het publiek. De formulering is nu dat de belangen van meerdere ‘stakeholders’ moeten worden meegewogen.”

Is het openbaar maken van de beloning van de directie of het bestuur een lastig punt?

„Daar hebben we een lange discussie over gehad. Uiteindelijk hebben we ervoor gekozen dat alles in principe openbaar moet worden, ook al zitten de meeste directies onder de grens [de balkenendenorm, 193.000 euro bruto, red.] dat het wettelijk verplicht is.

„Ja, daarvoor is het ook noodzakelijk dat alle jaarverslagen openbaar worden gemaakt. Net als het verslag van de raad van toezicht. Gebeurt dat nu vaak niet? Dat zal dan wel moeten.”

Er zijn raden van toezicht waar geldschieters in zitten. Mag dat nog?

„Het is kwetsbaar. Je moet goed kijken wat de relaties zijn en of er geen belangenverstrengeling is, die volgens de code niet is toegestaan. De code heeft de bepaling ‘Pas toe of leg uit’. Het wordt in Nederland als diskwalificatie beschouwd als je van die mogelijkheid gebruikmaakt. Dat hoeft niet nodig te zijn, een goede uitleg kan acceptabel zijn. Maar als het gaat om geldstromen, moet je transparant zijn over wat de voordelen voor de partijen zijn.”