Voorganger in de hippe ecologische kunst

Patricia Johanson: ‘Snake in the grass’.

Het moesten een paar lekker maffe bladzijden worden die de lezeressen van House & Garden uit hun halfslaapje zouden moeten wekken, maar zeker niet op de vlucht doen slaan. Toen het Amerikaanse tijdschrift in 1969 aan kunstenaar Patricia Johanson vroeg om een tuinontwerp voor het blad te maken, had de redactie iets salonfähigs in gedachten: een of twee minimalistische schetsen voor een lapje grond met de omvang van een achtertuin.

Johanson, geboren in 1945 en aan het prestigieuze Hunter College in New York vertrouwd geraakt met het visuele idioom van conceptuele kunst en minimal art, had het jaar daarvoor in de ongerepte natuur van upstate New York een kunstwerk van meer dan vijfhonderd meter lengte uitgelegd over een verlaten spoorbaan. Stephen Long, zoals de in drie primaire kleuren geschilderde reuzenlat heette, was een ‘paneel’ waarop Johanson experimenteerde met de invloed van kunst op de natuur, en omgekeerd. De traditionele white cube van het museum was haar te krap – de pagina’s van House & Garden evenzo.

De kunstenaar leverde honderdvijftig tekeningen in die zijn op te vatten als een reusachtig, fantasierijk compendium van zeven verschillende groepen tuinen: lineaire tuinen, zich in de maan weerspiegelende tuinen, rioolwater zuiverende tuinen, tuinen vol ‘kikkerstemmen’ en tuinen die verstoorde waterwegen herstellen. Het verblufte House & Garden besloot niet één tekening te plaatsen.

In Sittard is een deel van deze zogeheten House & Garden proposals, van wat de kunstenaar daarvoor en daarna maakte, nu in volle glorie te zien. Johanson mag in Amerika een naam hebben opgebouwd als kunstenaar van de openbare ruimte en eco-art, in Europa is ze nagenoeg onbekend. Dat is raar en niet raar tegelijk. Raar, omdat deze meer dan sympathieke kunstenaar al in 1960 de ambitie uitspreekt om de wereld als kunstwerk vorm te geven en dat sindsdien inderdaad ook doet. Van Dallas tot Californië, van Zuid-Korea tot Kenia en Brazilië zijn projecten gerealiseerd die zijn uitgegroeid tot zelfvoorzienende ecosystemen, die kwaliteit van mens, dier en plant bevorderen. Raar ook, omdat Johanson inderdaad een voorganger is van de grote hippe club kunstenaars die zich tegenwoordig met ecologische kunst en bio-art bezig houdt.

Na het debacle met House & Garden – waarover Johanson zelf overigens haar schouders ophaalde – komen grote opdrachtgevers langs. Van al die opdrachten hangen er foto’s – helaas geen actuele – en sierlijke ontwerptekeningen: getuigen van succes en mislukking. Om mislukking maalt de kunstenaar alleen, als het betekent dat haar ontwerpen voor de helft worden gerealiseerd. Dat gebeurt in de Bay Area van San Francisco, waar ze in 1987 de uitnodiging krijgt om een nieuwe rioolinstallatie in te bedden in het landschap.

Haar grootste succes, nog steeds, is de lagune bij het Dallas Museum of Fine Arts, die ze in de jaren tachtig verandert van een groen-slijmerige poel in een van vissen, schildpadden, vogels, planten én mensen dartelend waterpark.

Waarom is het dan toch niet raar dat Johanson zo weinig voet aan de grond in Europa heeft gekregen? Dat komt doordat haar ontwerpen traditioneler en eenduidiger worden naarmate de jaren vorderen. Het gaat irriteren om opnieuw een voorstel voor een park in de vorm van een bedreigde muis, slang, beer, vogelsoort of plant te zien. Hoe mooi de tekeningen ook zijn en hoe goed Johansons bedoelingen, we kijken dan toch eerder naar het werk van een sjamaan die de wereld wil genezen met steeds dezelfde middelen, dan naar dat van een kunstenaar die steeds nieuwe wegen exploreert.