Vechten om een reddingsvest

Na de ramp bij Lampedusa werd dit weekend gezocht naar drenkelingen van een nieuwe ramp bij Malta Zeker 33 mensen stierven, tientallen worden vermist De Syriërs werden bij hun vlucht beschoten vanuit Libië

Correspondent Zuid-Europa

Hun boot was pas enkele honderden kilometers uit de Libische kust, toen de gewapende mannen hen in het zicht kregen. „Ze riepen dat we moesten stoppen. Maar de kapitein voer gewoon door”, vertelt Molham al-Rosan. Daarop begonnen de mannen hun wapens op de boot te richten. Zijn vader pakte daarop een van de kinderen op, hield het omhoog en riep nog: ‘Niet schieten, er zijn kinderen aan boord’. ,,Even later schoten ze toch.”

De kogels raakten niet alleen enkele opvarenden in hun arm en been. Ook de boot werd beschadigd. „We wisten vervolgens te ontkomen, maar de boot maakte water. Het leek eerst een klein probleem, maar dit werd steeds groter”, vertelt Al-Rosan, een Syrisch-Palestijnse jongen van 24. Hij zit op de onderste matras van een stapelbed in een asielzoekerscentrum even buiten de Maltese hoofdstad Valletta.

„Hoe verder we de zee opvoeren, hoe meer water er binnenkwam. Toen de zee wilder werd, begon de boot steeds heftiger te schommelen. Van links naar rechts en weer terug. Totdat we omsloegen en iedereen in het water belandde. Ik heb zo veel mensen zien verdrinken, vooral kinderen.”

Vrijdagmiddag vond er zo opnieuw een tragisch ongeluk plaats met een vluchtelingenboot in de Straat van Sicilië. 206 van de vooral Syrische opvarenden konden worden gered, maar zeker 33 mensen – en waarschijnlijk nog tientallen meer – vonden de dood op het smalle stuk Middellandse Zee tussen de Noord-Afrikaanse kust en Italië en Malta. Het opgelaaide debat na de grote scheepsramp bij Lampedusa, begin deze maand, krijgt met dit laatste drama een extra impuls.

Bellen met de Italiaanse kustwacht

Vlak voordat hun boot zou omslaan, belden de vluchtelingen met een satelliettelefoon naar de Italiaanse kustwacht. Die verwees hen door naar de Maltese collega’s. De boot voer weliswaar dichter bij het Italiaanse Lampedusa, maar bevond zich officieel in Maltese wateren. Uiteindelijk kwamen Italië en Malta samen in actie en namen respectievelijk 56 en 150 van de overlevenden op. Schattingen van het totaal aantal opvarenden lopen uiteen van 250 tot wel 400. Dit hele weekeinde werd er nog gezocht naar lichamen.

Na een tocht van acht uur op een marineschap kwamen Emad Hassan, zijn vrouw en drie kinderen zaterdagochtend aan op Malta. Na behandeling in het ziekenhuis werden ze zaterdagmiddag naar het Hal Far asielcentrum gebracht. Dit is opgezet bij voormalige hangars van de luchtmacht, waaromheen tientallen grijze keten zijn neergezet als slaapvertrekken. Terwijl zijn kinderen (twee jongens van 13, 11 en een dochter van 6) tussen de stapelbedden en uitgereikte proviand spelen met tweedehands speelgoed, vertelt Hassan zijn versie van de gebeurtenissen.

„Dat ze in Libië op ons schoten, was maar een van de vele problemen die we op onze tocht tegenkwamen. De boot was ook gewoon te klein voor zoveel mensen. Toen we water begonnen te maken, kregen we ook nog motorproblemen. En uiteindelijk sloegen we om.”

In de eerste vijftien minuten dat ik in het water lag, zag ik mijn vrouw en kinderen niet. ,,Dat was een heel moeilijk moment. Ik was zo bang voor de kinderen. Toen ik ze eenmaal vond en even later het vliegtuig kwam en een reddingsvlot en –vesten gooide, durfde ik een beetje opgelucht te zijn.”

Zoals het merendeel van de opvarenden droegen de Hassans zwemvesten. „Zelf gekocht in Libië.” Maar niet iedereen had vesten. Andere overlevenden vertellen hoe er aan boord en in het water daarom gevechten uitbraken met de vesten als inzet. „De kapitein kwam op mijn vader af, maar ik kon hem wegjagen door hem te slaan”, vertelt een jongeman, die niet met zijn naam in de krant wil.

In de chaotische en hectische reddingsoperatie werden families soms gescheiden. „Maram, mijn kind van één jaar, is door de Italianen meegenomen”, vertelt bijvoorbeeld Aisha. Zij en haar man zitten op zaterdagmiddag in een minibusje, waarmee ze na de medische controles uit het ziekenhuis worden weggereden. De vluchtelingen dragen dan nog de met zeelucht doortrokken kleren die ze ook in de boot droegen. De volgende dag heeft Aisha nog geen informatie over Maram kunnen verkrijgen. „We willen haar zien, snel.”

De vluchtelingen zijn allemaal Syriërs, die de afgelopen maanden en weken de burgeroorlog in hun land ontvluchtten. Meestal door via Jordanië of Libanon naar Egypte te vliegen en van daaruit door te reizen naar buurland Libië. Landgenoten die eerder aankwamen in Italië en Malta, namen vanuit Egypte een boot. Maar die reis duurt zeker vijf tot zeven dagen. Vanuit Libië is het maar 24 uur, dat leek veiliger.

Daarnaast is de reis vanuit Libië goedkoper. Hassan betaalde voor zijn hele gezin 3.000 dollar, ongeveer evenveel als mensensmokkelaars per persoon rekenen voor het traject Egypte-Italië. Hij zou de tocht echter niet opnieuw ondernemen. Zijn oudste zoon Belal wel, zegt hij. „Ik ben blij dat we in Europa zijn. Ik wil weer naar school.”

Libië is in chaos vervallen

Wie de boot beschoot, is onduidelijk. Libië is sinds de val van sterke man Gaddafi in chaos vervallen en per streek heersen verschillende milities. De vluchtelingen voeren af uit de noordwestelijke stad Zawaru, een bekend vertrekpunt. Volgens sommige ooggetuigen droegen de schutters de vlag van de Amazigh (Berbers) op hun uniform. „Maar in Libië weet je nooit iets 100 procent zeker.”

De Syriërs weten wel dat Malta (ruim 411.000 inwoners) niet hun gewenste einddoel was. Ze wilden naar Lampedusa. Bootmigranten die daar aankomen, worden meestal binnen enkele weken of dagen overgebracht naar Sicilië of het Italiaanse vasteland. Daar kunnen ze gemakkelijk wegkomen uit de half open asielzoekerscentra en doorreizen naar Noord-Europa. Vooral Zweden en Duitsland zijn populair.

De lokale bevolking klaagt dat zij als toevallige draaischijf in een veel groter probleem op weinig solidariteit van Europa kan rekenen. ,,Andere regeringen moeten ons en Lampedusa helpen”, zegt Stephanie Pace, die op zondagmiddag met haar tante en zoontje naar het kamp is gereden om een zak Milkyways te brengen voor de kinderen.

Op het half open kamp wonen naast de Syriërs, vooral Afrikanen. Zij zitten er al maanden tot ruim een jaar en hebben bijvoorbeeld al een satelliettelevisie weten te regelen. Pace: ,,Dit is de eerste keer dat ik kom. Ik ben eerder niet gekomen, niet omdat ik een racist ben. Maar nu zag ik op televisie al die kleine kinderen aan land komen.”

Pace vindt dat Malta de ‘clandestini’, zoals de vijfduizend illegalen in de volksmond heten, niet allemaal zelf kan opvangen. ,,We hebben daar de middelen niet voor. Er is niet eens genoeg werk voor de Maltezen zelf.” Haar vriendje die in de bouw werkt, heeft een Eritrese collega. ,,Die verdient 120 euro per week, zwart. Mijn vriendje 210. Het minimumloon is 150. Moet jij raden wie zijn baas straks als eerste ontslaat.”

    • Merijn de Waal