Spel maar: ‘przewalskipaard’

Het dictee is populair in Nederland Sommige dictees zijn besloten zodat er geen taalfreaks op afkomen: die winnen namelijk altijd Heeft het zin om te weten hoe je woorden spelt die je nooit gebruikt?

Illustratie Thinkstock

Meppel heeft er een, Aalsmeer, Kampen, Hillegom en Goeree-Overflakkee ook. Net als Hardenberg, Winterswijk, Wijchen, Lansingerland en de Lopikerwaard: elke zichzelf respecterende gemeente heeft tegenwoordig een dictee. Deze week houdt Rotterdam als een van de eerste grote steden er een: het Rotterdamse Stadsdictee, een initiatief vanuit de gemeenteraad om iets te doen aan de taalachterstand van veel Rotterdamse scholieren. Burgemeester Aboutaleb leest het voor in de raadszaal en via internet kan iedereen meedoen.

Het dictee is enorm populair in Nederland. Waren er tien jaar geleden zo’n twintig dictees, nu zijn dat er pakweg zestig, volgens Jeroen van Heemskerck Düker, beheerder van www.dictees.nl waarop onder meer een dicteeagenda te vinden is. „Het zijn vooral Rotaryclubs en gemeenten, vaak in samenwerking met de plaatselijke bibliotheek of krant, die dictees organiseren”, weet hij. „De Rotary schenkt het inschrijfgeld aan een goed doel, de gemeenten zien het als een leuk middel om zichzelf te promoten.”

De hausse aan dictees heeft ongetwijfeld te maken met de ergernis aan taalfouten en de angst voor taalverloedering als gevolg van de sociale media, denkt Pieter van Diepen, winnaar van het Groot Dictee der Nederlandse Taal in 2010. Toen hij bij die gelegenheid de gebruikelijke vulpen won, zei hij zich voortaan Pieter van Die Pen te zullen noemen. „Als je ziet wat er aan taalbagger op internetfora staat, dan kan ik me wel voorstellen dat mensen daar een barrière tegen willen opwerpen in de vorm van dictees. Zou dat niet meer bestaan, dan zou de taal nog harder achteruitgaan.”

Bert Jansen, oud-leraar Nederlands en al twintig jaar ‘dicteetijger’, vindt het moeilijk om de populariteit van dictees te verklaren. „Het is de tijdgeest. Je ziet overal een toegenomen belangstelling voor taal. In 1967 waren er anderhalve man en een paardenkop op het congres van het Genootschap Onze Taal, nu zit het hele Chassétheater in Breda vol met veelal jonge taalliefhebbers.”

Verbaal fierljeppen

Jaap de Jong, hoogleraar journalistiek en nieuwe media aan de Universiteit Leiden en redacteur van Onze Taal, noemt de dictees „een verbaal soort fierljeppen”. „Het is een vrolijk soort zelfkastijding. Je kunt laten zien dat je ergens goed in bent en dat is aantrekkelijk voor bepaalde mensen. En doordat er jaarlijks een dictee op tv is, heeft het verschijnsel een zekere status gekregen.” Grote verbeteringen in taalgebruik verwacht De Jong niet van de dictees, maar „alle spellen die ervoor zorgen dat mensen met taal bezig zijn, zijn goed. Het leidt ertoe dat de vorm van taal weer belangrijk wordt gevonden in een tijd dat er zoveel slordigheid is door het razendsnelle sms’en en mailen.”

De Jong heeft de indruk dat ook op scholen serieuzer met spelling wordt omgegaan. „Lange tijd waren tekstinterpretatie en mondelinge uitdrukkingsvaardigheid belangrijker. Maar ik ben blij met iedere student die goed spelt, want dan kan ik meer aandacht aan de inhoud besteden.” Overigens vindt De Jong een dictee vol werkwoordsvormen nuttiger dan het oefenen van woorden als ‘bijouterieën’ en ‘przewalskipaard’. „Wanneer gebruik je die nou?”

De dictees trekken een geheel eigen publiek: de dicteetijgers, mensen die soms tientallen dictees per jaar maken en er alles aan doen om een ‘nulfouter’ te scoren. Jeroen van Heemskerck Düker schat dat er in Nederland en Vlaanderen zo’n twintig fanatieke ‘dicteetijgers’ zijn die van het ene naar het andere dictee reizen. „Sommige dictees zijn zelfs besloten uit vrees dat dicteetijgers zich aanmelden. Dan is de rest van het publiek kansloos.” Een oplossing die vaak voor dit ‘probleem’ wordt gehanteerd: het publiek verdelen in professionals en amateurs.

De dictees zijn vooral leuk voor een paar gekken, zoals Pieter van Diepen het zegt. „Gelijkgezinden die zijn gegrepen door taal en dan met name spelling. Je moet het zien als een hobby van mensen die niet over politiek of voetbal willen praten.” Dicteetijger Bert Jansen: „Het circuit bestaat bijna uitsluitend uit mannen die de competitie zoeken.”

In Vlaanderen, waar dictees veel eerder dan in Nederland populair waren, is de hausse alweer voorbij. Had begin jaren negentig elke instelling – van de lokale schutterij tot de plaatselijke basisschool – een eigen dictee, nu is er alleen nog een dictee in Roeselare en in Brussel. Evenementen van naam als het Groot Limburgs Dictee en het Houthalens Dictee zijn verdwenen nadat de organisator ermee stopte. Dicteetijger Edward Vanhove moet daarom uitwijken naar Nederland. „Ik maak nu zo’n vijf dictees per jaar, waarvan vier in Nederland: meestal Venray, Terneuzen, Tilburg en Deventer.”

Vanhove was diverse malen auteur van een van de oudste en moeilijkste dictees van Nederland, het Deventer Dictee. In de versie van dit jaar nam hij termen op als gecajoleer, kokenage, velleïteit en ‘bruschetta met persad, gaargesmoord in reuzeline en genappeerd met zapotesap. „Daar is het echt een sport om zoveel mogelijk vreemde woorden in de tekst te krijgen”, zegt Van Heemskerck Düker. „Je kunt een dictee moeilijk maken door veel vaktermen, lastig te spellen of vrijwel onbekende woorden in een tekst te stoppen. Denk aan chaerofobie, laatst in het Groot Hillegoms Dictee. Dat betekent ‘afkeer van vrolijkheid en vreugde’. Ik had er nog nooit van gehoord.” Toch kun je ook met alledaagse woorden een dictee moeilijk maken, zegt Van Heemskerck Düker. „Met woorden als foetsie, klip-en-klaar en hocus pocus gaan ook al veel mensen de mist in.”

Friederike de Raat is auteur van ‘Geen hond die ernaar kraait & andere onuitroeibare taalfouten’, dat vandaag verschijnt.

Vanmiddag om 17.30 uur wordt het Groot NRC-dictee gehouden in het NRC-café, Rokin 65, Amsterdam. Aanmelden via info@nrcrestaurantcafe.nl. Op www.dictees.nl staat de dicteeagenda voor heel Nederland.

    • Friederike de Raat