Je vraagt je af wat er van ze moet worden

In Nijmegen terroriseert een groepje jonge jongens het Willemskwartier. De burgemeester grijpt in.

Aan het begin van de Genestetlaan in Nijmegen ligt een groot grasveld met een metalen hanghok voor jongeren. Rondom liggen lege blikjes energiedrank, flesjes bier, pakjes chocomel, plastic vorkjes, sigarettenpakjes. De ene wand van het hok is vernield, tegen de andere wand is onlangs een fikkie gestookt. Even erachter raast elk kwartier een trein over het spoor.

De ouderenwoning van Theodorus Papenhoven (72) kijkt uit op het grasveld. „Jonge jongens zitten daar vaak tot twee uur ’s nachts te blowen en te schreeuwen”, zegt hij. Hij is wel eens naar buiten gegaan om er wat van te zeggen. Toen maakten ze hem voor pooier en hoerenloper uit en liepen ze in een groep op hem af. Later gooiden ze eieren tegen zijn raam. „Dus nu bel ik liever de politie.”

Hij is niet de enige, zegt burgemeester Hubert Bruls (CDA). „Sinds het einde van de ramadan in augustus is het aantal meldingen van overlast in de buurt het Willemskwartier schrikbarend toegenomen. Buurtbewoners worden uitgescholden. En als ze er iets van zeggen, staan er in no time vijftien jonge jongens om ze heen. Ook de politie wordt beledigd en geïntimideerd.”

Zo’n zestig jongens van tussen de acht en twaalf jaar oud veroorzaken de overlast. Veel van hen zijn van Marokkaanse komaf. Op school zijn de jongens poeslief, heeft de directrice van de plaatselijke basisschool de burgemeester verteld. Bruls: „Thuis worden ze vermoedelijk behandeld als prinsjes en krijgen ze geen tegenwerk. Hun ouders denken: ‘Nee, dat doet mijn jongen niet.’ Op straat krijgen de jongens inmiddels het idee dat zij de baas zijn. Dus het is tijd om in te grijpen. De grens is bereikt.”

De burgemeester heeft vier straatcoaches ingezet. Die gaan de straat op om met de jongens te praten. Ze gaan ook op basisscholen lessen geven over respect. Er is extra politiesurveillance. En de twintig ouderparen van de ergste onruststokers worden door de wijkagent en een maatschappelijk werker thuis bezocht. Bruls: „Die jongens zijn jong, dus nog beïnvloedbaar. Als we ze nu zowel op school, als thuis, als op straat aanpakken, hoop ik dat we de boel nog kunnen kantelen. Waar moet dat anders naartoe?”

In het nieuwe jaar gaat Bruls bekijken of zijn aanpak werkt. Als dat niet zo is, probeert hij iets anders. Als dat wel zo is, komt er ook ruimte voor leuke activiteiten voor die jongens. „Nu nog niet. Wie zich niet gedraagt, krijgt geen cadeautjes.”

Het Willemskwartier is een vooroorlogs buurtje met overwegend goedkope huurwoningen. Van oudsher woonden er arbeiders en werklozen. Later kwamen daar studenten en Marokkaanse en Turkse gastarbeiders bij. Begin jaren negentig brak de gemeente een deel van de vooroorlogse woningen af zodat er plaats ontstond voor nieuwe koopwoningen. Zo hoopte ze ook wat welvarender bewoners naar de buurt te krijgen. Dat lukte en de aandacht van de gemeente voor de wijk nam wat af. Gesubsidieerde projecten zoals Sportrijk voor buurtkinderen werden, mede ook onder druk van bezuinigingen, afgeschaft.

„Het verdwijnen van die projecten is betreurenswaardig”, zegt Jamaa Himi (69) in wijkcentrum ’t Hert, waar hij met gepensioneerde buurtgenoten thee drinkt. Hijzelf zette zich als Marokkaanse buurtvader jarenlang in voor buurtprojecten. „We voelden ons als buurtbewoners eerst verantwoordelijk en later trots op het Willemskwartier. Maar toen de projecten ophielden, verdween de betrokkenheid van bewoners. Daarna begon de ellende. Kinderen hier hebben aandacht nodig, hun ouders hulp.” Al beseft hij dat er natuurlijk geen enkel excuus is om de buurvrouw voor rotte vis uit te maken, zegt hij.

Verderop aan de Genestetlaan opent een roodharige vrouw de voordeur. Ze woont tegenover de speeltuin naast het Johan Cruijff Court en verwijdert elke week lege frietbakjes, blikjes en andere rommel uit haar voortuin. „Een vuilniszak vol.” Regelmatig ziet ze kinderen van niet ouder dan vier jaar tot twaalf uur ’s nachts zonder begeleiding op straat lopen. „Ik spreek er niemand op aan. Anders word ik ook een pestobject. Maar ik denk wel eens: wat moet er van die kleintjes worden?”