Gedicht Ik wou bestaan

Ze hadden mij de nacht beloofd, vol met pailletten als op het glitterpak van sterren, showballet en een tickertape van bankbiljetten op toneel. Ze hadden mij de dag beloofd, zo wit als meel, koel als de nacht, met gratis water uit de lucht,

zo koud als sneeuw. En zij vertelden het gerucht

dat de verschroeide, rode aarde groen is, dat

gewassen uit de rotsen spruiten, dat een stad

een tuin kan zijn waar volle vlinderstruiken staan.

Ze hadden mij beloofd dat ik als prins zou gaan

op leren schoenen van echt leer tussen de koeien

die vet als nijlpaarden op grasland staan te loeien

tot iemand tanden zet in al hun lillend spek.

Maar ik geloofde dat maar half. Ik ben niet gek.

Ik ging niet voor het sprookje. Ik ging voor het geld,

dat ik tijdens mijn reis al tien keer heb geteld

in alle munteenheden die ik kon bedenken.

Ik wou mijn moedertje een wasmachine schenken,

zodat haar kromme vingers zouden kunnen spelen

met gouden haartjes van een kind dat ik zou telen

uit kluiten van een zompige, gezonde grond.

Ze hebben mij daarbij beloofd dat ik terstond

mijn inkomen kan afhalen aan het loket,

waar ook mijn rolex lag en mijn cabriolet,

die onontbeerlijk waren voor mijn nieuwe leven,

waar alles steeds op tijd zou gaan en afgedreven

gedachten claxonerend werden ingehaald.

Succes. Dat wou ik. Daarom heb ik geld betaald

aan Omar met zijn oude truck waaronder ik

de zandhopen van Mali als onzichtbaar kwik

ontvlucht ben naar de blauwe emirs van het noorden,

die voor een uitgespuugde peuk een man vermoorden.

Ik heb betaald voor water en voor autobanden,

die ik gekauwd heb zonder iets te drinken. Handen

bestalen mij of sloegen. Ik heb geld betaald

om ergens wel of niet te worden opgehaald

om voor wat extra geld een mijnenveld te zien

bij nacht. Ik heb gezien dat daar een man of tien

met afgerukte benen werden neergelegd

in de woestijn. Want onze Omar had gezegd

dat anders alle helikopters zouden komen

om met hun wieken alle dromen af te romen

tot kansloos terug naar af. Ik zag mijn naamloos graf

bij ieder road-block, elke kiezel, elke laf

gecamoufleerde truc om nog meer te betalen.

Maar mijn snoeizwarte ziel wist dat ik het zou halen.

Het moest. Daar was de overkant. Daar was het leven

dat ik aan mijn verminkte moedertje kon geven.

Ik zou haar elke maand driehonderd franken sturen.

Dat zou genoeg zijn om een beter huis te huren

met echt elektrisch licht en stromend water. Later

zou ik haar meenemen naar Disneyland. Maar gaat er

een boot van Afrika naar Hollywood? De zee.

Ik zag de zee na maanden sterven. Ik ging mee

op een oranje sloep waarvoor ik moest betalen.

We hadden niet genoeg om het te kunnen halen

en waren met te veel. De brakke motor zweeg

op volle zee en onze jerrycan was leeg.

We hebben om het restje water nog gevochten.

En onder de meedogenloze zon bezochten

mij alle visioenen van een continent

waar iedereen rechtvaardig door de regen rent

omdat geluk daar democratisch is gemaakt.

Ik was er bijna, had het bijna aangeraakt.

Ze hadden het beloofde fucking land beloofd

en niet de zee. Maar zee heeft mij van land beroofd.

Want voor een neger is het illegaal te dromen.

En als je al halfdood bent, zal een visser komen

die als de dood is voor de wet. Wie negers redt,

wordt als een mensensmokkelaar zo vastgezet.

Gelukszoeker word ik genoemd in de annalen.

Ik wou dat ik het tot zover had mogen halen.

Ik wou bestaan. Ik had zo graag iets mogen mogen.

Maar nu zie ik voor altijd zee met dode ogen.

    • Ilja Leonard Pfeijffer