Eindelijk, een objectieve test voor ADHD

ADHD is te zien op een scan van hersengolven Fijn, want deze test is objectiever dan reguliere testen Er zijn ADHD-subtypen onderscheiden

Redacteur medische wetenschap

Een simpele test waarbij de hersengolven worden gemeten kan de diagnose ADHD bij tieners bevestigen, de test kan bovendien onderscheid maken tussen verschillende vormen van de aandachtsstoornis. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers van het Center for Mind and Brain van de University of California in het vakblad Biological Psychiatry.

De test is „objectiever” dan de papieren testen en de vragenlijsten waarmee psychiaters nu de diagnose stellen, zegt eerste auteur van het artikel Ali Mazaheri, „omdat deze kwantitatief registreert wat er verandert aan de informatieverwerking in het brein na een bepaalde instructie”.

Patiënten en psychiaters kijken al langer uit naar een test die op een waardevrije manier de diagnose ADHD kan stellen. Met zo’n test zou de diagnose wellicht al op veel jongere leeftijd te stellen zijn, waardoor kinderen tijdig de juiste behandeling krijgen.

De hersenactiviteitstest moet echter worden gezien als ondersteunend, zegt Mazaheri, neurowetenschapper bij het AMC in Amsterdam: „Het meten van hersenactiviteit alleen geeft vooralsnog onvoldoende basis voor een diagnose.”

In de test die werd uitgevoerd met 57 tieners in de leeftijd van 12 tot 17 jaar bleek het patroon van hersengolven duidelijk verschillend tussen de groep zonder ADHD en de groep met die stoornis. Hersengolven in de frontale cortex bleken bij die laatste groep zwakjes gekoppeld aan golven achter in de hersenen, een symptoom van de beperkte topdowncontrole die met deze stoornis samengaat.

Daarnaast kwamen er verschillen tussen ADHD-types aan het licht. Het overwegend onoplettende type had duidelijk meer moeite met de verwerking van prikkels in de visuele cortex en het gemengde type had moeite met het voorbereiden van bewegingen. De uitkomst van dit onderzoek plaatst nadrukkelijk een kanttekening bij de pas verschenen nieuwe editie van het diagnostisch handboek voor de psychiatrie, DSM V. Daarin wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen subtypes ADHD, maar vallen alle aandachtsstoornissen onder één noemer. Ten onrechte, vindt Mazaheri, vooral ook omdat verschillende vormen misschien een andere behandeling vergen.

Voor dit onderzoek werd alle deelnemers gevraagd voorafgaand aan de test geen medicijnen te nemen, die zouden de uitslag kunnen beïnvloeden. Ondanks die voorzorg zag Mazaheri dat er „een trend” was dat jongeren van het onoplettende subtype, die medicijnen slikten (methylfenidaat), beter functionerende hersenverbindingen hadden dan jongeren uit dezelfde categorie zonder medicatie. Bij de jongeren van het gemengde subtype, die allemaal medicijnen slikten, was die verbetering er niet.

De test zou volgens Mazaheri een rol kunnen spelen in de discussie die er is over overdiagnose van ADHD. „Vaak is de diagnose gekleurd door de subjectieve ervaringen van ouders of leraren die niet meer weten wat zij met hun lastige kind aanmoeten. Metingen die laten zien hoe de hersenen functioneren kunnen helpen die diagnose te bevestigen.”

Hetzelfde is eerder geprobeerd met MRI en EEG, maar niet met zo’n duidelijk resultaat. Volgens Mazaheri komt dat doordat zulke hersenscans meestal alleen de rusttoestand in beeld brengen in één bepaald hersengebied. „Ik keek naar de verandering in communicatie tussen hersengebieden tijdens een taak. Ik vergelijk het weleens met het opnemen van de hartslag. Als je dat in rust doet, ontdek je niet alle afwijkingen. Pas als je de patiënt zich eerst laat inspannen, komen de gebreken aan het licht.”