Breiend

Roem en vergetelheid liggen ook voor schrijvers dicht bij elkaar. Zie het lot van twee Canadese schrijvers van dezelfde generatie: Norman Levine (1923-2005) en Alice Munro (1931). Twee uitnemende schrijvers van hoofdzakelijk korte verhalen, maar de eerste is vergeten en de laatste krijgt de Nobelprijs.

Beide schrijvers kregen in Nederland dezelfde vertaler: de in Canada woonachtige Pleuke Boyce. Dankzij haar kwam ik in 2006 voor het eerst in aanraking met het werk van Alice Munro. Twee jaar eerder had ik iets over Norman Levine (spreek uit: Levien) geschreven.

Ik had enkele vertalingen van zijn werk, uitgekomen bij Van Gennep, in de ramsj aangetroffen en er enthousiast over geschreven. Dat was Pleuke in Canada (waar ze Nederland goed in de gaten blijft houden) opgevallen en ze reageerde opgetogen. In het mailverkeer daarna vertelde ze dat ze inmiddels Munro voor uitgeverij De Geus vertaalde. Ik begon te lezen en raakte onder de indruk.

Munro was tien jaar geleden in Nederland een nog vrijwel onbekende schrijfster. Enkele uitgeverijen hadden haar al afgestoten wegens gebrek aan succes, maar uitgeverij De Geus bleef overtuigd van haar kwaliteiten, al waren de verkoopresultaten nog lang teleurstellend.

Elke keer als ik Pleuke bij haar schaarse bezoeken aan Nederland tref, praten we even over Levine en Munro, die zij beiden meermalen heeft ontmoet. De laatste keer dat ik haar sprak was nog maar enkele weken geleden; geen moment hebben wij toen de mogelijkheid besproken dat Munro de Nobelprijs zou winnen. Haar eerste reactie aan mij toen ze het had gehoord: „Wat een geweldig nieuws, ik kan het nog steeds niet helemaal geloven.”

Een begrijpelijke reactie als je jarenlang aan iedereen hebt moeten uitleggen wie toch die Alice Munro is die jij zo toegewijd aan het vertalen bent.

Ik vroeg Pleuke of ze inmiddels aan Munro de voorkeur geeft boven Levine. „Munro ben ik pas later (na Levine) gaan lezen”, reageerde ze, „en nu kan ik niet meer kiezen. Ze zijn alle twee zó goed, maar ieder op een heel andere manier. Hij uiterst summier en zij inderdaad ‘breiend’. Maar ze is tevens een bijzonder knappe, ja geraffineerde vertelster. Ze heeft ook beslist dramatisch talent, ze heeft me wel eens verteld dat ze vroeger het liefst actrice had willen worden.”

Met de kwalificatie ‘breiend’ citeerde ze Levine. Munro’s werk lag hem niet zo erg, hij vond het te omslachtig. Munro had evenmin een hoge dunk van Levine. Ze hebben elkaar vermoedelijk nooit ontmoet, en Pleuke neemt aan dat Munro hem niet gelezen heeft. Maar Munro had zich ooit zeer gestoord aan een opmerking van Levine, dat vrouwelijke schrijvers het makkelijker hadden dan mannelijke omdat ze niet zelf de kost hoefden te verdienen. Dat ‘breien’ sloeg kennelijk zowel op haar stijl als op haar huishoudelijke activiteiten.

In die tijd stond Levine bij de literaire kritiek in hoger aanzien dan Munro. Hij werd in Duitsland door Heinrich Böll vertaald. Tientallen jaren woonde hij buiten Canada, in de Engelse badplaats St. Ives, waar hij met zijn gezin in armoede leefde. Zijn sterk autobiografische oeuvre is maar klein en het verkocht slecht. Ik heb er nog altijd een groot zwak voor. Zijn schetsachtige verhalen hebben de melancholie van Nescio en de beknoptheid van A. Alberts. Welke uitgever probeert het weer eens met een mooie bloemlezing? De Geus maar weer?