Wie ik ben? Gewoon, Theo Bos

Eind februari overleed ‘Mr. Vitesse’ Theo Bos (47) aan alvleesklierkanker. Zestien weken voor zijn overlijden vroeg hij aan Marcel van Roosmalen om een boek over hem te schrijven.

Mijn vader was naar het rouwcentrum aan de Arnhemseweg in Velp gebracht. Ik was er gaan kijken, daar had ik achteraf spijt van. Hij was niet meer de man zoals ik hem gekend had. Ze hadden hem anders gemaakt. Strenger. Hij leek wel een dominee in zijn zwarte pak.

Een jongen in een te groot colbert vroeg of we koffie wilden.

Er was ook een oud-collega van mijn vader, die ging voor me staan en zei: ‘Jouw vader was een prima ambtenaar. Zeer kundig, hij wist alles van dijken.’

Toen ze allemaal weg waren, liep mijn moeder naar de kist. Ze kuste hem op beide wangen, schikte de bloemen naast zijn hoofd.

‘Dag jongen’, zei ze. ‘Wat hebben we het fijn gehad.’

Het ontroerde me.

Daarna schroefden we samen de kist dicht.

‘Goed aandraaien’, zei de jongen in het te grote colbert.

Een dag later kreeg ik een sms’je van Theo Bos, oud-speler en -trainer van mijn favoriete voetbalclub Vitesse. Hij had gehoord dat mijn vader was overleden, wenste me sterkte en vroeg of ik, als alles achter de rug was, een keer kwam eten.

‘Bel maar als je zin hebt.’

Theo Bos was mijn jeugdheld. Begin jaren negentig scandeerden we zijn naam week na week.

‘Theo pak ’m terug. Theo pak ’m terug. Theo-Theo-Theo pak ’m terug!’

Hard, steeds harder, we smeekten. Net zolang tot de verdediger in het geel-zwart gestreepte shirt met rugnummer 4 wraak nam op de speler van de tegenpartij die ons, de supporters op de overdekte staantribune in stadion Nieuw Monikkenhuize, had geïrriteerd. De oorzaak was vaak een overtreding op een van onze spelers, maar het kon ook iets anders zijn. Een spits met te lang haar bijvoorbeeld.

Theo Bos, dat voelde je, was een van ons. Hij werd dan weliswaar betaald door Vitesse, maar voor ons was hij altijd amateur gebleven. Hij kwam uit Arnhem, moest net als de meesten ‘werken voor zijn geld’ en bleef ‘normaal doen’. Theo reed niet in een dure auto, droeg een spijkerbroek van een onbekend merk, maakte praatjes met supporters en liet in interviews weten dat bami zijn lievelingseten was, dat hij in zijn vrije tijd kaartte of ging bowlen in het kegelcentrum aan de Schelmseweg en dat hij behalve voetballer ook supporter van Vitesse was. Theo, dat wisten we gewoon, zou ons nooit verlaten. Een zondagmiddag zonder ‘Theo pak ’m terug’ konden we ons niet voorstellen.

Op de dag dat mijn vader kanker kreeg, kreeg Theo het ook. Dat wil zeggen: ik hoorde het op dezelfde dag.

‘Ook toevallig’, zei mijn vader toen ik het hem vertelde. ‘Wat voor kanker?’

‘Alvleesklierkanker.’

‘Is dat erger dan slokdarmkanker? Is er iets tegen te doen?’

‘Dat weet ik niet’, zei ik.

‘Die geeft niet op, hoor!’ zei mijn vader. ‘Die gaat ertegen knokken!’

Daarna: ‘Weet je nog? Vitesse?’

Mijn vader had zijn streepjespyjama aan. Hij stelde voor om een wandeling door het ziekenhuis te maken, ik gaf hem een arm.

‘Ik voel me zo fit als een kievit’, zei hij toen we door de gangen schuifelden. Hij, een man met een afkeer van alles in een doktersjas, had duidelijk besloten om de moed erin te houden. Hij wilde een second opinion, want hij sloot niet uit dat hij gewoon een voedselvergiftiging had. De pijn was tenslotte begonnen na het eten van een worstenbroodje op bezoek bij tante Hermien.

‘En als je wel echt ziek bent?’ >>

>> ‘Dan ga ik ertegen vechten’, zei hij. ‘Net als Theo Bos.’

Theo pak ‘m terug

Ik had Theo een exemplaar van mijn boek Het is nooit leuk als je tegen een boom rijdt gestuurd. ‘Uit’, sms’te hij een paar weken later vanuit het ziekenhuis, hij had het gelezen tijdens de chemokuren.

‘Theo pak ’m terug’, had ik er voor hem ingeschreven. Niet erg origineel. Later zou hij me vertellen dat hij tientallen kaarten met die tekst had gekregen. Ik had hem lange tijd niet gesproken of gezien. Net als duizenden anderen had ik begin 2012, tijdens de wedstrijd tegen NEC – het was bekend geworden dat hij ongeneeslijk ziek was – in de vierde minuut keihard voor hem geklapt.

Wat gaat er door je heen als je met je zieke lijf op de tribune zit en die warme deken valt over je heen? Begin je zoals de mensen om je heen ook te huilen? Ga je om je heen kijken, of staar je voor je uit? Het leek me heel ongemakkelijk en tegelijkertijd iets om trots op te zijn. Was Theo er überhaupt bij die middag? Van de beelden op Studio Sport herinnerde ik me vooral het shot van toenmalig trainer John van den Brom, huilend in de dug-out.

Een week na de begrafenis van mijn vader ging ik bij Theo eten. Hij kwam me halen op het station in Elst. Hij had een smaller gezicht gekregen en was zichtbaar afgevallen, maar hij was niet vel over been zoals mijn vader aan het eind en hij had ook geen vale huidskleur. Als ik niet beter wist zou ik denken dat hij kerngezond was.

‘Kon je goed met je vader?’

‘Ja’, zei ik, ‘maar van het eind, de laatste fase, had ik meer verwacht. Ik dacht dat je elkaar dan nog van alles te zeggen had, maar dat was niet zo. We hadden het alleen maar over onbelangrijke dingen.’

We liepen naar zijn auto. Lotte, zijn zevenjarige dochter, kroop over de achterbank.

Theo hield de deur voor me open.

‘Wij hebben het alleen over belangrijke dingen, hè Lotte? Sinterklaas is er. Die komt hier per trein, wist jij dat?’

Ik zei dat Sinterklaas in Amsterdam gewoon met de boot kwam.

‘Wij vieren het altijd met de hele familie’, zei Theo. ‘De afspraak is een surprise en een gedicht van minimaal twintig regels. Degene die mij heeft getrokken, hoeft niet lang na te denken, gewoon een alvleesklier namaken.’

Na het eten vroeg hij me of ik een boek over zijn leven wilde schrijven. Ik wilde en kon niet weigeren, maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat het me makkelijk afging. Het werden zestien rare weken. Mijn jeugdheld werd steeds zieker. Het was vreemd om hem zo traag te zien bewegen. Hij had het over alledaagse dingen en zei soms helemaal niets.

We gingen vooral dingen doen: bloedprikken in ziekenhuis Rijnstate, rondjes rijden in de zwarte Opel door de Arnhemse wijk De Geitenkamp, een broodje eten bij Broodje Rico in de Steenstraat, naar trainingen van Vitesse, naar wedstrijden van FC Den Bosch en FC Dordrecht en naar het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam voor de chemo. We hadden het dan over zijn jeugd, zijn tijd als speler en trainer, en steeds vaker over ziek zijn en de naderende dood. Theo werd steeds magerder, viel tijdens die gesprekken een keer in slaap, en bleef, ondanks de pijn die hij continu voelde, optimistisch en was soms zelfs vrolijk. Ik had niet de indruk met een doodziek persoon op pad te zijn.

Theo was onder behandeling bij dokter Casper van Eijck, de clubarts van Feyenoord, gespecialiseerd in de behandeling van alvleesklierkanker. Casper was volgens Theo de beste in zijn vakgebied.

‘Ik kon meteen bij hem terecht, dat is dan wel weer een voordeel als je connecties in de voetbalwereld hebt.’

Ze hadden samen een keer ‘opgetreden’. ‘Voor een schoolklas, dan deed hij de theorie en ik het praktijkgedeelte. Casper zegt ook dat alvleesklierkanker een ondergeschoven kindje is in vergelijking met bijvoorbeeld borstkanker. Het KWF komt nu ook met een slagzin die bij me past: ‘Alvleesklierkanker, keihard tackelen.’ Dat vind ik wel mooi.’

Hoe houd je het vol?

Joep Schreuder van Studio Sport had hem opgezocht voor een diepte-interview, waarin Theo openhartig sprak over zijn ziekte. Hij had er veel positieve reacties op gekregen. De mensen zeiden hem dat hij zo goed omging met zijn ziekte en de naderende dood.

‘Ik ben strijdvaardig, zeggen ze’, zei Theo.

Ik had moeite om het helemaal te geloven. Ik vond het bijna onmenselijk.

‘Hoe houd je het vol? Mensen spreken je aan, ze kennen allemaal ook iemand met kanker. Ze scanderen je naam, willen met je op de foto, ze zeggen dat je moet blijven knokken. Ik zou gek worden. Jij blijft rustig en doet aardig, maar ik zie aan je hoofd dat je ze soms zat bent. Ik heb dat interview ook gezien. Ik denk dat je zo doet voor je vrouw en kinderen.’

Hij gaf het toe.

Het eerste wat er door hem heen ging toen hij hoorde dat hij kanker had was: ik val er niemand mee lastig, ik los het zelf wel op. Ze stippelden een traject voor hem uit, tapten zijn bloed af, hij kreeg via infusen vreemde stoffen in zijn lijf en onderging bestralingen, net zolang totdat de dokteren zeiden dat het ‘einde oefening’ was.

Hij vroeg naar de begrafenis van mijn vader. ‘Hoe was het?’

‘Het was in de kerk in de Emmastraat in Velp’, zei ik. ‘Hij was erg katholiek. Er was geen priester beschikbaar, dus was er een pastoraal werker, een man met een baard. Het was best druk, de kerk zat voor tweederde vol. Ik hield een toespraak, maar niet iedereen kon die verstaan. Er zat een piep in de microfoon. Daarna was het nog een flink stuk lopen van de kerk naar de begraafplaats. Ik heb het in een roes meegemaakt. Na afloop was er een koffietafel in De Watermolen op de Kennedylaan, daar ben ik toen dronken geworden met vrienden.’

‘Was hij trots op je?’ vroeg Theo.

‘Soms.’

‘Zei hij dat dan? Of wist je het?’

‘Hij zei weleens: Goed gedaan.’

‘Mijn vader zei dat nooit tegen mij’, zei Theo. ‘Ik hoorde van anderen dat hij best trots op me was.’

‘Nu krijg je van alle kanten complimenten’, zei ik.

‘Maar dan denk ik: had ik ze ook gekregen als ik niet ziek was geworden? De Zuidtribune in het GelreDome heet nu officieel de Theo Bos-Zuidtribune. Was dat ook gebeurd als ik geen kanker had? Ze zeggen van wel, en dat geloof ik ook, maar toch denk ik dat soms.’

De gesprekken gingen steeds vaker over kanker, hij was er zelf verbaasd over.

‘Je zit te praten en ineens gaat het weer over die kutziekte.’

Hij had geen behoefte om ‘een of ander jankverhaal’ te vertellen.

‘Thuis hebben we van die gesprekken over wat er na mijn dood met me moet gebeuren. Of er iets voor de supporters gedaan moet worden, of ik moet worden begraven of gecremeerd en waar dat dan moet gebeuren. Dan kan ik dingen zeggen als: „Maakt >> >> me niet uit, leg me maar in de schuur.” Zo ga ik met de dingen om. Dat is natuurlijk ook een vorm van onzekerheid. Ik merk echt wel dat er veel mensen met me meeleven, maar over de festiviteiten na mijn dood heb ik het liever niet. Wat als ik in het stadion lig opgebaard en er komt niemand kijken?’

Nadat Theo met zijn vrouw Marieke en Lotte op vakantie naar Gran Canaria was geweest, ging hij snel achteruit. Hij belde op een ochtend, ik lag nog in bed. Zijn stem klonk zachter dan normaal.

‘Sliep je nog?’

‘Ja.’

‘Mooi zo.’

Hij informeerde naar ‘het schrijfproces’.

‘Ben je al begonnen? Je moet een beetje opschieten, denk ik.’

Zoals hij zich nu voelde, ging hij niet naar Vitesse-FC Utrecht.

‘Ik weet niet of het erin zit. Ik moet de hele tijd naar het ziekenhuis. Vocht aftappen, dat hoopt zich op in mijn buik.’

Tijdens zijn laatste wedstrijd, tegen FC Groningen, was hij vooral moe en had hij het, ondanks het gesloten dak, erg koud.

‘Marieke zegt dat ik een attractie word.’

Zelf was hij ‘klaar’ met iedereen die tegen hem zei dat hij moest blijven knokken en volhouden.

‘Knokken… Tegen wat dan? Tegen de onzichtbare vijand, die me opvreet zeker.’

Na afloop van de thuiswedstrijd tegen FC Groningen was hij in de businessclub aangesproken door een man die vroeg waarom hij niet terug sms’te. Hij had al twee keer ‘sterkte’ naar hem gestuurd, maar hij had nog niets terugontvangen.

‘Daar heb ik dus geen zin meer in.’

Het zou ons laatste telefoongesprek worden. Na zijn dood bezocht ik zijn familie en vrienden. Ieder gesprek begon hetzelfde: ‘Theo Bos was een geweldig mens’, waarna een opsomming van goede eigenschappen volgde. Precies waar ik vooraf bang voor was.

‘Streep dat dan maar door’, zei Theo toen ik hem zei dat dat ging gebeuren. ‘Een keer of vier is genoeg. Ik ben geen heilige.’

‘Wat ben je dan wel?’ vroeg ik.

‘Gewoon Theo Bos’, zei Theo. <<

‘Het is zoals het is, Marcel van Roosmalen op pad met Theo Bos’ ligt nu in de winkel