Weer eventjes een Joodse stad

Praktisch de hele Joodse bevolking van Oeman is in 1941 uitgeroeid. Nu trekt het Oekraïense stadje jaarlijks zo’n 25.000 pelgrims om er het joodse nieuwjaar te vieren. De Oekraïners zien hen vooral als inkomstenbron. „Wij mogen dan wel arm zijn, we hebben ook onze trots.”

Opeens staat daar op de heuvel boven de vijver een meer dan manshoog houten kruis met een bleke blote Jezus Christus. Bij deze vijver gaan straks bij het vallen van de avond duizenden chassidische pelgrims hun tashlikh-ritueel verrichten. Wiegend en biddend zullen zij hun zonden aan het water toevertrouwen; een enkeling springt er in zijn blootje zelf achteraan. De Joden zijn in groten getale naar het Oekraïense Oeman gekomen om bij het graf van rebbe Nachman van Breslov het joodse nieuwjaar (Rosj Hasjana) te vieren, vorige maand. Het is geen toeval dat dat Christuskruis daar staat. De chassieden noemen het een provocatie.

De Oekraïense omwonenden zeggen niet gezien te hebben wie het kruis daar heeft neergezet. Maar ze hebben wel een vermoeden: dat moeten mensen van Svoboda (Vrijheid) zijn geweest, de nationalistische xenofobe politieke partij die vooral in West-Oekraïne veel stemmen trekt. Voor de zekerheid heeft het stadsbestuur achter het kruis een politiepost ingericht. De situatie mag niet uit de hand lopen. 25.000 buitenlandse chassieden, vooral uit Israël en Amerika, in een onooglijke Oekraïense provincieplaats met nog geen 90.000 inwoners: Oeman heeft geen behoefte aan een internationaal schandaal. De pelgrims brengen bovendien geld in het laatje. Hoe gaat dit aflopen?

Eigenlijk wilden we van Lviv (het vroegere Lemberg) naar Tsjernivtsy reizen. Dit heette vóór de oorlog Czernowitz en is de geboorteplaats van beroemde auteurs als de dichter Paul Celan (Der Tod ist ein Meister aus Deutschland) en Gregor von Rezzori, die in Ein Hermelin in Tschernopol een hallucinant beeld van het multiculturele stadje vlak voor de Tweede Wereldoorlog schetste. Maar toen we hoorden dat onze reis toevallig samenviel met de jaarlijkse pelgrimage naar het graf van rebbe Nachman, de achterkleinzoon van de Ba’al Shem Tov (‘de Meester van de Goede Naam’, de grondlegger van het chassidisme), besloten we ons reisdoel te verleggen naar Oeman, 200 kilometer ten zuiden van Kiev.

Al tijdens Gorbatsjovs perestrojka kwamen de eerste voorzichtige pelgrimstochten naar Oeman op gang. Inmiddels is het een steeds omvangrijkere jaarlijkse traditie geworden om het joodse nieuwjaar bij het graf van de tsaddik (de rechtschapene, de leidsman van de chassieden) te vieren. Van enkele honderden deelnemers is het aantal opgelopen tot meer dan 20.000. In 2010, twee eeuwen na de dood van de rebbe, waren het er zelfs zoveel dat het stadje bijna bezweek onder de toevloed. Er vielen klappen, er waren opstootjes en onaangename incidenten met de bevolking. De Oekraïense politie moest ingrijpen. Dat mag niet weer gebeuren.

Nergens is de uitmoording van de Joodse bevolking zo groot geweest als in Oekraïne.

In 1941 roeiden de Duitsers, geholpen door lokale collaborateurs, praktisch de hele joodse bevolking van de stad uit, zo’n 17.000 mensen.

De joodse begraafplaats, mét het graf van Nachman, werd met de grond gelijk gemaakt. Oekraïners van het platteland namen hun plaats in. Nemen de chassieden nu één week per jaar het stadje weer over dat ooit de bakermat was van hun traditionele geloof? Wordt het straatbeeld in Oeman dan weer bepaald door duizenden mannen met pijpenkrullen in zwarte pakken met zwarte hoeden op? Hoe zou dat eruit zien en hoe kijkt de lokale bevolking daar tegenaan?

Oeman, genoemd naar het riviertje de Oemanka, blijkt een desolaat prairiestadje met brede lege straten. Ooit was dit het begin van de Oekraïense steppe, de dyke pole, het ‘wilde veld’. Hier vestigden zich de kozakken, bendes weggelopen Oekraïense lijfeigenen van de Poolse adel, die de macht had in het glorieuze Pools-Litouwse koninkrijk. Hun geuzennaam komt van het Turkse quzzaq (vrij man, avonturier). Mannen als Gogols Taras Boelba die met hangsnorren, kale koppen met één lange spuuglok, kaftans en flitsende sabels te paard nu eens de gehate Poolse adel, dan weer Tataarse of Turkse indringers bevochten. In de achttiende eeuw werd de provincie rond Oeman geteisterd door drie hajdamakken-opstanden (hajdamak is Turks voor vrijbuiter, plunderaar) tegen de katholieke Poolse machthebbers.

Het Bloedbad van Oeman

Kozakken vermoordden alleen al in Oeman enkele duizenden Polen en Joden, die werden beschouwd als rentmeesters van de Polen. Na het Bloedbad van Oeman (1768), door Oekraïnes nationale dichter Taras Sjevtsjenko beschreven in het dichtwerk De Hajdamakken, desintegreerde het Pools-Litouwse koninkrijk. Het gebied rond Oeman werd bij de Poolse delingen opgeslokt door Rusland, dat de kozakken vooral ging inzetten als grenstroepen in de weke onderbuik van het onverdedigbare tsarenrijk.

Het centrum van Oeman, met een Leninstandbeeld en een Leninboulevard, ligt er vanochtend verlaten bij. Geen chassied te bekennen. Tot onze verrassing heeft hotel Oeman voor ons zelfs nog een kamer met badkamer, inclusief een tamelijk smoezelige jacuzzi. De joodse happening blijkt zich af te spelen op een afgeschermd terrein van een paar vierkante kilometer in de buurt van de joodse begraafplaats, bij het eind jaren zestig teruggevonden graf van rebbe Nachman. Rondom zijn enkele vijvers, kunstmatige stuwmeertjes in de rivier, die een belangrijke rol spelen bij het ritueel van de tashlikh, waarbij je je zonden in stromend water werpt. Hier in de buurt hebben de nazi’s duizenden Joden geëxecuteerd.

Politieagenten houden ons tegen, maar wapperend met onze Nederlandse paspoorten weten we toch binnen te komen. „Pas op, waag je niet te ver het terrein op”, zegt de Oekraïense agent. Later begrijp ik waar hij op doelt: op een handvol Oekraïense bewoonsters en vrouwen die helpen in de catering na ben ik de enige vrouw. „Bidden en vrouwen gaan niet samen”, zegt een man glimlachend als ik vraag waarom. De paar honderd vrouwen die geholpen hebben bij de voorbereidingen van het feest, zitten binnen. Wel dollen talloze jongens met pijpenkrullen en keppeltjes door de straten.

De hoofdader in het joodse dorp is de Poesjkinstraat, geflankeerd door hoge flatgebouwen. De straat wordt voller en voller. Algauw zijn we omringd door fladderende gebedssjaals en zwarte hoeden. De sfeer is uitgelaten en intens. Er wordt veel gebeden, gegeten, gedanst en gekwekt. Ondanks hun streng zwart getint uiterlijk zijn de chassieden hier hét voorbeeld van Joodse blijheid. Iedereen woont op het terrein, in tenten, appartementen of huizen in aanbouw. Alle flats aan de Poesjkinstraat en haar zijstraten zijn verhuurd aan pelgrims, uit de ramen hangen chassieden, overal zijn de opschriften in het Hebreeuws. Zelfs de ambulance komt uit Israël. Op een kruispunt staat Hotel Zion voor de welgestelderen. In grote tenten eten pelgrims aan lange tafels gratis kosjer voedsel, gedoneerd door rijke geldschieters. Op elke straathoek staat een clubje mannen met gebedenboeken te bidden. Torarollen worden rondgedragen, ter verwelkoming van het nieuwe jaar blaast men op de ramshoorn.

Bij het graf van de rebbe, waar ik niet in de buurt mag komen, verdringen zich pelgrims die een glimp van het heiligdom proberen op te vangen. Het enige moment dat de sfeer ietwat grimmig wordt, is als ik een ijzeren buitentrap van een flat in aanbouw beklim. Hier huist een immense geïmproviseerde synagoge. Ik werp een blik op eindeloze rijen banken met biddende Joden, maar word boos verjaagd. „Hoepel op!”, roept een oude man in het Russisch. „Dit is geen plaats voor vrouwen.” Snel berg ik, betrapt, mijn camera op.

Veel van de pelgrims blijken hier niet voor het eerst. Tien, twaalf keer is geen uitzondering. „Rabbi Nachman is mijn gids”, zegt Javniel uit Israël. „Dit geeft me positieve energie en helpt me het jaar goed te beginnen. Ik bid voor mijn gezin.” Dat het feest in Oekraïne plaatsvindt, bevalt hem maar matig. „Ik hou niet van Oekraïne, de mensen zijn niet genereus, niet aardig. Ze accepteren ons omdat ze geld aan ons verdienen. Ze voelen ons niet aan.”

Wortels in de stad hebben de meesten niet. De vader van muziekleraar Nadav Leibovitsch (36) komt uit Roemenië. „God is niet alleen in de hemel, hij is overal. Rebbe Nachman leert ons te leven met de kleine en de grote dingen.” In de toekomst wil Nadav zijn drie zoons hier mee naar toenemen. Zijn dochter moet thuisblijven. „Dit is een mannending.”

Sinds hij chassied is geworden, bestudeert Aron Titlebaum uit Londen, een rijzige glimlachende man met een lange grijze baard, de Tora. Hij vindt de reis een opgave. „Ik heb een hekel aan massa’s. Ik hou van rust en stilte. Ook voedsel en onderdak zijn hier niet best. Ik ben hier omdat rebbe Nachman heeft beloofd dat iedereen die zijn graf bezoekt, de tien psalmen van koning David reciteert, rechtschapen is en geld aan goede doelen geeft, recht heeft op zijn voorspraak voor de hemel. Wat hij daar boven uitspookt, weet ik niet, maar hier verandert je persoonlijkheid.” Zijn jongere Amerikaanse vriend Chaim zegt dat hij wel degelijk ook naar Oeman komt vanwege de herinnering aan de Holocaust. „In de toekomst zullen miljoenen Joden naar dit gebied komen. We zullen deze stad heroveren!” Hij schiet in de lach en zegt stralend: „Just joking.”

David Meinhardt uit Panama, die nu in Israël woont, is een van de pioniers. Hij kwam hier twintig jaar geleden voor het eerst. „Toen waren we met een paar honderd man. Er waren geen voorzieningen, we wasten ons in het meer. Rebbe Nachman is balsem voor de ziel. Hij heeft gezegd: wie komt en doet wat nodig is, zal ik behoeden voor de hel. Bij pogroms en later in de Tweede Wereldoorlog zijn hier 30.000 Joden vermoord. Ook toen droegen ze het kruis met zich mee. Nu staat er weer een bij het meer”, zegt hij hoofdschuddend.

Kledingvoorschriften en geloofsrichting lijken in Oeman niet bepaald strikt omschreven. Er zijn mannen uit Israël met lange baarden en bontmutsen die stammen uit de koude sjtetls van Oost-Europa, maar in het hete Israël – en hier vandaag – dragen ze die bontmutsen op een luchtig verhoginkje om niet om te komen van de hitte. Maar ook gewone gebruinde jongens uit Tel Aviv, bij wie slechts een keppeltje hun jodendom verraadt. De grootste gemene deler is de witte gebedsmantel (talliet) met draden. De grote Ike (27, student business in Brooklyn) loopt gewoon in witte hemdsmouwen met een kipa op zijn rossige krullen. Hij is hier voor de tweede keer en vindt het ‘terrific’. „Het kan niet schelen hoe je eruit ziet of wat voor Jood je bent, iedereen is hier welkom. Hitler maakte ook geen onderscheid tussen Joden. Waarom zouden wij dat dan wel doen? Chassidisme zit in je hart.” Ikes familie komt uit Polen. „Ze hebben mijn grootouders vermoord, maar een geloof kun je niet vernietigen. Dat hebben er al zoveel geprobeerd!”

Dat is nu juist het mooie van de Breslov-tak van het chassidisme, zegt Zalman Arnow (39, New Jersey). „Breslovs zijn volstrekt open. Iedereen kan met elkaar opschieten. Dat is heel inspirerend. Bij andere chassidische groepen is er altijd competitie wie het meest godvruchtig en religieus is.” Arnows familie komt uit het Oekraïense Tsjernigov, maar is al in 1900 naar Amerika geëmigreerd. Dat hij nu weer terugkeert naar Oekraïne vindt hij niet ironisch. „Wij dachten dat er na de Tweede Wereldoorlog voorgoed een einde was gekomen aan het bestaan van de Joden in Oost-Europa. Maar ik vind het heel ontroerend om hier te zijn en al die oude steden te zien die ooit bloeiende Joodse gemeenschappen hadden.”

De lokale bevolking denkt vooral aan het economisch gewin, geeft hij toe, maar hij kan ook wel begrip voor de Oekraïners opbrengen. „Ik kan me voorstellen dat het voor sommigen van hen wel ‘a little bit of a shock’ moet zijn.” Het kruis laat zien dat er nog steeds mensen zijn die haat voelen, maar Arnow denkt dat dat een kleine minderheid is. „Wij wonen hier al jaren bij dezelfde families, die erg blij zijn als we komen. We gaan respectvol met elkaar om.”

De inkomsten zijn verdubbeld

Het Oekraïense weekblad Reporter citeert de locoburgemeester van Oeman, Pjotr Pajevski, die zich kwaad maakt over het kruis van Svoboda. „Nergens in de beschaafde wereld slacht men de kip met gouden eieren”, zegt Pajevski, die erop wijst dat Oeman vóór de Tweede Wereldoorlog nog een joodse stad was. Door het hele jaar heen, becijfert hij, bezoeken wel 70.000 chassieden de stad. De afgelopen twee jaar zijn de inkomsten verdubbeld. Alleen al met de verkoop van levensmiddelen voor Rosj Hasjana verdient Oekraïne jaarlijks 15 miljoen hryvnia (1,5 miljoen euro). Maar de burgers van Oeman die aan de pelgrimstocht verdienen verliezen langzaam terrein. Volgens het weekblad zijn inmiddels al 400 appartementen in de buurt aan buitenlanders verkocht. Steeds meer levensmiddelen, kleding en diensten worden door de Joden zelf verzorgd. Op het terrein werken 400 Oekraïense politieagenten, geassisteerd door een handvol Israëlische beveiligers. Daarnaast zouden nog een paar honderd Oekraïners hand- en spandiensten verlenen voor 12 hryvnia (1,20 euro) per uur, weet de lokale krant Oeman te melden. En Oekraïense kinderen verdienen dollars met het sjouwen van bagage.

Bij de vijver komt een Oekraïense politieman op me af. Hij is bang dat ik een voorbode ben van ellende en roept een jonge Israëli met een lange paardenstaart en een ringetje in zijn oor, die Russisch spreekt en als verbindingsman fungeert tussen de Joden en het beveiligingspersoneel. De Israëli sust de agent en zegt dat ik heus geen gevaar loop. Hij wil zijn naam niet zeggen, maar woont al vier jaar met zijn Joodse vrouw in Dnepropetrovsk. Ze kennen elkaar uit Tel Aviv, maar zijn vrouw wou terug naar haar welgestelde vader in Oekraïne. Al heeft hij een goede baan als beveiliger van de rabbi van Dnepropetrovsk, het bevalt hem hier niet. „De mensen zijn heel grof, ook tegen elkaar. Dat heeft niets met antisemitisme te maken.”

In de industriestad Dnepropetrovsk is een vrij grote Joodse gemeenschap van 8.000 mensen. Er is net een nieuwe synagoge gebouwd, waar elke sabbat zo’n 300 tot 400 mensen komen bidden. Er zijn in Oekraïne veel rijke Joodse donoren, die ook de pelgrimage naar Oeman financieren. Dan zegt de jonge Israëli iets dat ik verwacht zou hebben uit de mond van een Oekraïense antisemiet: „Svoboda mag dan sterk zijn in Oekraïne, maar de Joden zijn rijker. De top vijf rijkste mannen van Oekraïne is joods.” Hij somt de namen op van Oekraïnes grootste oligarchen: Pintsjoek, Kolomojski, Bogoljoebov. „De Joden hebben het geld. Zij controleren dit land.” Hij zegt het in volle ernst.

De Oekraïense Maria (57) woont aan het meer waar de pelgrims bidden. De kleine grijze vrouw in een keukenschort komt aan haar tuinhekje staan, maar is voorzichtig in haar uitspraken. „Wij respecteren alle godsdiensten. Iedereen heeft recht op zijn eigen geloof. De chassieden irriteren ons niet. Maar wij mogen dan wel arm zijn, we hebben ook onze trots. Het is de taak van de staat om ons nader tot elkaar te brengen en met elkaar te laten praten, maar dat doet ze niet.” Vorig jaar had een chassied twee huizen verderop de huiseigenaar geslagen die hem een kamer verhuurde. „Er zijn nu eenmaal altijd mensen die zich niet netjes gedragen. Maar in plaats dat onze staat ons verdedigt, geeft ze alleen maar directieven als: de chassied komt hier om te bidden en dat moet je respecteren.”

Vijfentwintig jaar geleden, zegt Maria, kwam er maar een handvol pelgrims, om zuiver religieuze redenen. Ze gedroegen zich respectvol. „Nu zijn wij afhankelijk van hen geworden. Iedereen probeert wat bij te verdienen. Van mij mogen ze zingen, dansen en drinken, maar niet na twee uur ’s nachts.” Het kruis noemt Maria een ‘belediging’, zowel voor de Joden als voor Jezus Christus. „Het is niet goed als religies onderling twisten. Svoboda had dat kruis daar niet neer mogen zetten. Maar de Joden mogen het ook niet weghalen. Zij zijn hier niet de baas.”

Bij een van de koffietenten komt een oude Oekraïense man op ons af. Hij vraagt of wij journalisten zijn, want hij moet nodig iets rechtzetten. „De televisie heeft gemeld dat ik kamers verhuur voor 200 dollar per persoon per nacht! Daar klopt niks van. In werkelijkheid krijg ik voor vier dagen onderdak van zeven man 1.200 dollar.” (Het gemiddelde Oekraïense maandsalaris is 250 euro.) Dan spuugt hij het er plotseling uit: „Het is slecht volk! Dit zijn geen mensen! Ze breken alles af, ze maken er een bende van.” Ik vraag hem waarom hij hun dan zijn huis verhuurt. „Omdat ik van mijn pensioen niet kan leven. Dáárom!” En boos beent hij weg.

Ja, zegt de jonge Sergej, die ons op straat aanklampt in accentloos Amerikaans. „Veel mensen hier vinden de Joden arrogant en gedragen zich onbeschoft tegen hen. Ik betreur dat. Zelf heb ik er helemaal geen last van.” Sergej studeert Engels aan de universiteit van Oeman en hoopt hier snel weg te kunnen om in Kiev internationale betrekkingen te gaan studeren. Nadja, een oude vrouw met hoofddoek, woont in de buurt van het feestterrein. Zij heeft alleen maar grote achting voor de Joden. „Iedereen gelooft op zijn eigen manier. De Joden zijn het uitverkoren volk.”

Later treffen we in de stad vier Oekraïense jongemannen aan het pils. Over de chassidy, zoals men ze hier noemt, denken ze verschillend. De een zegt: prima, laat maar komen, ze zijn wat mij betreft hartelijk welkom. Een ander woont vlak naast het terrein. „Ze maken rommel en herrie en ze brengen virussen mee.” Voordeel is wel dat hij zijn woning kan verhuren en dat geld kan hij goed gebruiken. Niet verhuren is trouwens geen optie, je kunt die week beter maken dat je weg bent. Een derde zegt dat de rest van de stad er niet blij mee is. „De overheid verdient eraan, maar zij woont ver weg. Wat schieten wij er eigenlijk mee op?” De vierde kijkt me cynisch aan en zegt: „Aha, mevrouw komt voor de statistiek even vragen wat het volk ervan vindt…”

Als de avond valt, keren we terug naar de Poesjkinstraat. In één vloeiende beweging stromen duizenden Joden naar beneden, naar het water. Zij laten zich door het kruis niet provoceren. Sommigen bidden gewoon met hun rug ernaar toe, anderen sluiten er letterlijk de ogen voor. Weer anderen kiezen voor de vijver even verderop. „Het is hún land”, zegt een pelgrim laconiek. „De Oekraïners mogen hier neerzetten wat ze willen.” En zo beschijnt de maan een adembenemend schouwspel: aan de oever van het water stijgt uit duizenden kelen van wit oplichtende chassiden een luid gemurmel op. Aan de overkant is nog net de bleke weerschijn van de blote Christus te ontwaren. Hij hangt daar in zijn hemd. Svoboda is in geen velden of wegen te bekennen.

    • Laura Starink