Vanuit Eritrea, via Libië

Eritrea, Ethiopië, Ethiopië, Libië, Sicilië: dat is de vluchtroute van Meron (25). „Ik wil geen soldaat zijn.”

Meron (25) is sinds twintig maanden onderweg. Begin januari 2012 vertrekt hij uit Asmara, de hoofdstad van Eritrea. Het land wordt door een militair bewind met harde hand bestuurd. Vooral jonge mannen willen er weg, omdat ze na hun dienstplicht worden vastgehouden in het leger. „Ik wil geen soldaat zijn. Ik wil me ontwikkelen”, vertelt Meron, voor het asielzoekerscentrum nabij Mineo op Sicilië.

Op het met hekken omgeven complex woonden voorheen Amerikaanse militairen, nu herbergen de huizen in totaal 3.800 vluchtelingen en migranten, waarmee het het grootste opvangcentrum van Europa is.

Het regime is er half open. Langs provinciale wegen rond Mineo prostitueren zich tientallen Afrikaanse vrouwen. Maar weinigen ontsnappen, omdat ze in afwachting zijn van hun asielaanvraag. Voor de moeilijkste gevallen kan dit tot twee jaar duren.

Op Mineo zitten enkele honderden Eritreeërs. Mensenrechtenorganisaties noemen de jonge staat in de punt van de Hoorn van Afrika „een grote openluchtgevangenis”. Zijn vaderland ontsnappen, is misschien nog wel het gevaarlijkst onderdeel van Merons reis. „Ik stak in een groep van zes de grens naar Ethiopië over. Drie van ons werden gespot en doodgeschoten.”

Meron redt het tot de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba, waar hij zeven maanden bij vrienden blijft. Dan begint hij aan de volgende etappe: naar Soedan. In hoofdstad Khartoem blijft hij opnieuw hangen. Vier maanden dit keer. Met andere Eritreeërs trekt hij dan door naar Libië. Daar is hij in totaal zeven maanden. Ze reizen door de Sahara achterin vrachtwagens, op terreinwagens en met pick-uptrucks.

De eerste keer probeert hij naar Italië te komen vanuit de oostelijke stad Benghazi. Ze betalen 1.600 Amerikaanse dollars (omgerekend 1.200 euro), maar hun boot wordt al enkele kilometers buiten de kust onderschept. De opvarenden worden terug naar Libië gebracht en gevangengezet.

„De Libiërs vroegen of je christen of moslim was. Ik ben christen dus ik ging naar een slechtere gevangenis.” Het weinig geld dat hij na betaling van zijn eerste reissom nog overheeft, wordt hem afgepakt. Hij zit weken vast. „Soms werden we uit het niets opgetrommeld en geslagen met stokken. Op onze rug en onder onze voeten.”

Tijdens een opstand weet hij te ontsnappen en met financiële hulp van andere Eritreeërs een nieuw plekje op een boot te kopen. Voor 400 dollar dit keer: „Meer had ik gewoon niet”. Deze keer vertrekken ze vanuit de buurt van Tripoli, in het westen van Libië, dichter richting Lampedusa.

Dit keer komen ze in dertig uur tot Lampedusa, het kleine eilandje tussen Sicilië en Afrika. Op de kleine vissersboot zitten 178 mensen. „Het was enorm krap, maar de zee was relatief rustig. Iedereen was stil, alleen de kinderen huilden.” Even buiten het eiland worden ze opgepikt door de kustwacht.

Onder de opvarenden is ook Mirat (26) met wie Meron deze middag buiten het asielcomplex boodschappen is gaan doen. De twee landgenoten leerden elkaar kennen onderweg naar Libië, in Soedan. Mirat torst een hoogzwangere buik, over twee maanden verwacht ze haar eerste kind. Meron is niet de vader van het kind, al denken velen in het kamp van wel. „Haar man is nog in Libië. Ze zijn elkaar kwijt geraakt in de gevangenis. Nu kan ze hem niet meer bereiken, dus ik heb me over haar ontfermd.”

Hij heeft geen idee hoe lang de asielprocedure gaat duren. Het liefst zou hij naar Duitsland, Nederland of een Scandinavisch land gaan. Daar zijn meer Eritreeërs. Hij heeft echter asiel aangevraagd in Italië. „Ik moest wel. Ze dwongen me om mijn vingerafdrukken te geven.”