Terechte winnaar

De toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de OPCW, de Organisatie voor het verbod op chemische wapens, dient verschillende doelen tegelijk. Het is in de eerste plaats een bekroning voor „enorme inspanningen”, aldus het Nobelprijscomité, die de OPCW sinds haar oprichting in 1997 heeft geleverd om chemische wapens de wereld uit te helpen. Inderdaad heeft de organisatie daarbij een centrale rol gespeeld, waardoor ze de prijs zeker verdient. Het stimuleren van ontwapening was van het begin af aan een doelstelling van de vredesprijs. En de OPCW heeft er sterk toe bijgedragen dat nu een taboe rust op deze massavernietigingswapens. Grotendeels buiten het zicht van de publiciteit heeft deze in Den Haag gevestigde organisatie, waarbij 189 landen zijn aangesloten, toegezien op de eliminatie van zo’n 80 procent van de bekende voorraden chemische wapens in de wereld.

Betere timing voor deze bekroning is nauwelijks denkbaar. De OPCW staat voor de zwaarste opgave in haar bestaan: binnen negen maanden zorgen voor vernietiging van alle chemische wapens van Syrië, terwijl hier een bloedige burgeroorlog woedt.

Dat is een uiterst moeilijke en ook gevaarlijke opdracht, zoals een groep inspecteurs die onlangs in Syrië werd beschoten al heeft ondervonden. Het vergt grote doortastendheid, doorzettingsvermogen en moed deze klus in Syrië te klaren. Het spreekt vanzelf dat de OPCW-medewerkers de prijs hierbij als een steun in de rug beschouwen, ook al heeft het Nobelcomité met zoveel woorden ontkend dat de toekenning met Syrië verband hield.

De prijs kan daarnaast ook gezien worden als een aansporing aan het handjevol landen dat zich nog niet bij de OPCW heeft aangesloten. En aan de landen die hun verplichtingen onder het verdrag nog niet volledig zijn nagekomen.

Specifiek noemde het Nobelcomité de VS en Rusland, die er niet in geslaagd zijn hun chemische arsenalen voor de deadline van april 2012 op te ruimen. Deze landen hebben een extra verantwoordelijkheid hun verdragsverplichting na te komen, omdat ze van andere landen vragen hun gifgasvoorraden op te geven, zei voorzitter Jagland van het comité gisteren met kritische ondertoon. Die verantwoordelijkheid hebben Amerika en Rusland zeker. Maar de samenwerking tussen deze twee grootmachten in de afgelopen weken heeft het werk van de OPCW in Syrië juist mogelijk gemaakt, en moet toegejuicht worden. De OPCW is een verdragsorganisatie, die alleen effectief kan zijn door haar lidstaten.

Door deze organisatie in het zonnetje te zetten, onderstreept het Nobelprijscomité dat samenwerking tussen landen onontbeerlijk is om vrede te bereiken. Hierdoor kunnen álle landen zich laten inspireren.