Slimme jongens waren ze

Michel Krielaars grasduint in de stapel recent binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

In tijden van politieke en financiële crises moet je zin van onzin kunnen scheiden als je de wereld om je heen tenminste nog wilt begrijpen. Wijze mannen als de slavist Karel van het Reve en de econoom Jan Pen waren er in de jaren zeventig en tachtig meesters in. Van de grote woorden van hemelbestormende politici en andere hoogwaardigheidsbekleders lieten ze, door zuiver te denken, niets heel.

Van Karel van het Reve is inmiddels een prachtig verzameld werk verschenen, maar van Jan Pen, die in 2010 overleed, niet. Hollands Maandblad, het illustere tijdschrift waarin beiden jarenlang publiceerden, eert hem daarom met de in boekvorm uitgegeven special Vandaag staat niet alleen. Essays en memoires. [1]. Het is een vermakelijke bundel met enkele mooie stukken van de dwarsliggende econoom. Niet alleen kom je veel te weten over zijn Friese jeugd, zijn studie en zijn verzetsactiviteiten, maar ook krijg je een goed beeld van zijn opvattingen over economie, neoliberalisme, Jan Tinbergen. Het verslag van zijn beroerte verzoent je geheel met de eindigheid van je eigen leven.

Dat je zonder intellectuele leidsmannen als Van het Reve en Pen nergens meer bent, kun je lezen bij Albert Camus (1913-1960), wiens De mythe van Sisyphus [2] opnieuw is verschenen. Camus onderzoekt hierin de ontreddering van na de Tweede Wereldoorlog, toen velen zich afvroegen of het leven nog wel de moeite waard is geleefd te worden als de dood sowieso niet kan worden vermeden.

Veertig jaar na het verschijnen van dit essay staat Camus’ betoog nog altijd als een huis. Een levenshouding waarin vrijheid, een bewuste manier van leven en opstand tegen de absurditeit de kern vormen, is tenslotte het beste alternatief voor tobbers. Religie biedt daarin volgens Camus geen soelaas.

De Duitse schrijver Albert Vigoleis Thelen wist precies hoe hij moest leven. Dat blijkt uit zijn heruitgegeven vuistdikke en bij verschijnen in 1953 alom bejubelde avonturen- en schelmenroman Het eiland van het tweede gezicht [3], die door Maarten ’t Hart ooit het ‘mooiste boek uit de 20ste eeuw’ is genoemd.

Er wordt in het boek veel geouwehoerd, maar je krijgt ook een vermakelijk beeld van de belevenissen van een barok gezelschap kunstenaars, hoeren, souteneurs, emigranten en toenmalige celebrities als Harry Graf Kessler, die zich in de jaren dertig hadden verzameld op Mallorca, al dan niet op de vlucht voor de nazi’s. Het geheel doet soms denken aan Cervantes’ Don Quichote, al is dat werk natuurlijk door niemand te overtreffen.

Iemand die zo bij Thelen had kunnen aankloppen was Toto Koopman, een mannequin van Coco Chanel en minnares van zo ongeveer iedere rijke, beroemde jetsetfiguur (zowel mannen als vrouwen) van voor de oorlog. Jean-Noël Liauts biografie De Javaanse. Het turbulente leven van Toto Koopman [4] leest als een roman, met Britse lesbiennes, Russische prinsen, persmagnaat Lord Beaverbrook en diens zoon Max Aitken, Mussolini’s schoonzoon graaf Ciano, dirigent Herbert von Karajan en enkelen van de vele geliefden van de hoofdpersoon.

Tijdens de oorlog was Toto spionne en zat ze een tijdje in een Duits concentratiekamp.

Na 1945 zette ze haar wilde leven in Londen voort, om zich uiteindelijk in de armen van een Duitse galeriehoudster te werpen. Een fantastisch boek.

Veel aardser is de ontvoering van biermagnaat Freddy Heineken in 1983. In Meneer Heineken, het is voorbij. Hoe de politie Freddy Heineken bevrijdde [5], doet voormalig hoofdinspecteur Gert van Beek zijn relaas van die spectaculaire gebeurtenis. Het is fascinerend om te lezen en wemelt van de leuke details. Alleen al dat Van Beek in een 2CV rijdt, doet je aan Baantjer denken. Tegelijkertijd laat de snuggere inspecteur zien hoe de politie door helder te denken en een enorm netwerk te mobiliseren Heineken in korte tijd weet op te sporen.

Een mooi detail is de inzameling van de 12,5 miljoen gulden aan losgeld. In biljetten bleek dat bedrag niet direct beschikbaar, zelfs niet bij De Nederlandsche Bank. Daarom belde toenmalig bankdirecteur Wim Duisenberg met zijn collega’s in Frankfurt, Washington en Parijs om het geld bijeen te schrapen. Het hoofd beveiliging werd naar Frankfurt gestuurd om het te incasseren.

Van Beek is ook een heer, want achterin zijn boek vermeldt hij alle bijna 200 mensen die aan het onderzoek hebben meegedaan. Het doet sterk aan Nescio’s Titaantjes denken: ‘Jongens waren we, maar aardige jongens.’