Sigaretje

Column // Georgina Verbaan

Als je haar op straat voorbij ziet harken met haar Dirktas vol lege sherryflessen, is er weinig dat prijsgeeft dat ze vroeger in Duitsland een gevierd balletdanseres was. Totdat ze een reiger passeert; ‘Schau mir nicht in die augen, verzögerte Vogel!’ Ik denk vaak aan haar. Meestal ’s ochtends.

Ik stel me dan voor hoe ze wakker wordt. Hoe ze rochelend een lampje naast haar bed aanknipt en met haar rimpelige gele wijsvinger en kromme duim die niet meer in oké-stand kan een peuk uit ’n pakje Tivoli peutert om er een steekvlam tegenaan te houden met een aanvankelijk haperende aansteker van een bouwbedrijf uit Uden. Hoewel haar mond en het gebied eromheen een dorre indruk maken is zij een natte roker. Haar lippen omsluiten de sigaret en verdwijnen met het filter naar binnen, het oplichtende stokje achterlatend in een rij verticale vlees-tralies waarop zo hier en daar nog wat angstig weggekropen acajou rode lippenstift verscholen zit. Ze sluit haar ogen en laat haar hoofd voorzichtig in haar kussen vallen, haar lippen komen weer tevoorschijn terwijl ze inhalerend het vochtige filter ertussenuit trekt.

Na een tijdje zo te liggen met het sigaretje tussen twee vingers geklemd, opent zij haar ogen als ze op de gang haar kat zijn ontbijt hoort opeisen. Drie centimeters as staren haar aan. Ze hangen vervaarlijk aan het sigaretje. Snel maar behoedzaam beweegt zij de peuk naar het nachtkastje waar, te midden van een schoteltje met zilveren ringen en een half rolletje King, een zalmroze zeepbakje in de vorm van een schelp dienst doet als asbak. Ze tikt af en ze mist. Ze is zo moe. De as dwarrelt op het kleedje naast haar bed.

Ja. Zo moet het ongeveer gaan, dacht ik ook vanochtend weer toen ik achter mijn bed het duct tape dat ik over de plinten had geplakt inspecteerde op kieren en losgelaten stukken. Want ze is grappig, maar ze is ook mijn onderbuurvrouw. Ik moet mijn rookmelders testen.