Ondiplomatieke ontlading bij OPCW

De waakhond tegen chemische wapens is sinds gisteren niet langer een onbekende organisatie. Dat kan van pas komen tijdens „de moeilijkste operatie sinds zijn bestaan”.

Vlag van de OPCW wordt opgeruimd na een geïmproviseerde persconferentie in Den Haag, waar de OPCW gevestigd is. Foto Bas Czerwinski

Ruim veertig onkreukbare diplomaten bogen zich gisterochtend juist over de jaarbegroting van de OPCW, die door de Syrische gifgasmissie op losse schroeven staat, toen in de halfronde vergaderzaal met zijn glazen wanden het gerucht begon rond te zingen.

„Een stijgende opwinding maakte zich van ons meester”, zegt Pieter van Donkersgoed, die als plaatsvervangend ambassadeur in het Haagse OPCW-hoofdkantoor aan tafel zat. Waarna het tot „een ondiplomatieke ontlading van enthousiasme” kwam, toen om stipt 11.00 uur bekend werd dat de Nobelprijs voor de Vrede inderdaad was toegekend aan de internationale waakhond tegen chemische wapens. „We floten nog net niet op onze vingers”, aldus de diplomaat.

Directe aanleiding voor het toekennen van de vredesprijs is het opruimen van chemische wapens in Syrië, waarmee de afgelopen weken een voorzichtig begin is gemaakt sinds de gifgasaanval van 21 augustus.

Maar het Nobelcomité onderstreepte dat de OPCW zich al veel langer, en grotendeels in stilte, inspant om chemische wapens wereldwijd uit te bannen. De organisatie „heeft het taboe op chemische wapens verankerd in het internationale recht”, zei comitévoorzitter Thorbjørn Jagland.

De Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons bestaat sinds 1997 en ziet toe op de naleving van het internationale verdrag tegen chemische wapens uit 1993. Die Conventie tegen Chemische Wapens (CWC) kwam er toen Rusland en de VS het eens werden over het opruimen van hun chemische wapens uit de Koude Oorlog.

Militair vervulden zulke wapens, voor het eerst gebruikt in de Eerste Wereldoorlog, geen functie meer. En het opslaan van zenuw- en mosterdgas werd te duur en te gevaarlijk. Beide landen werden zo de belangrijkste sponsors van de OPCW en zorgen met hun stem in de Veiligheidsraad dat OPCW-besluiten worden uitgevoerd.

Het Nobelcomité deed vrijdagochtend een nadrukkelijke oproep aan de laatste landen met chemische wapens zich ook bij het verdrag aan te sluiten. De prijs was bovendien bedoeld als „aansporing” aan andere landen om haast te maken met de vernietiging van hun arsenalen, waaronder Rusland en de VS, die achterlopen.

Somalië is sinds juni de 189ste lidstaat. Slechts zes landen hadden toen nog niet getekend: Angola, Birma, Egypte, Noord-Korea, Zuid-Soedan en Syrië. Egypte en Syrië weigerden te tekenen, omdat Israël ook chemische wapens zou hebben. Israël heeft het verdrag wel getekend, maar, ook vanwege de ‘chemische buren’, niet geratificeerd. Onder druk van Rusland en de VS zei Syrië vorige maand zich alsnog te willen aansluiten.

De Syrische operatie, vorige maand door een resolutie van de Veiligheidsraad bekrachtigd, geldt intussen als „de moeilijkste uit het bestaan van de OPCW”. Het is nog niet voorgekomen dat een land toetrad in oorlogstijd. Een deel van het Syrische arsenaal ligt in gebied waar wordt gevochten en is alleen door de lucht bereikbaar. Zelfs in vredestijd zou het onklaar maken van duizenden granaten en raketten, en duizend ton zenuwgas, mosterdgas en de grondstoffen daarvoor een helse taak hebben betekend. Of het strakke tijdschema haalbaar is, wordt intussen openlijk betwijfeld, maar dát de wapens van het slagveld verdwijnen is belangrijker dan wanneer.

De OPCW is in ijltempo bezig nieuwe inspecteurs en technici te werven op tijdelijke contracten. De tweehonderd inspecteurs in vaste dienst zijn onder bezuinigingsdruk geslonken tot iets meer dan de helft. En die moeten ook het ‘gewone werk’ doen, zoals civiele inspecties van de chemische industrie, waartoe het verdrag landen verplicht. Omdat inspecteurs na zeven jaar verplicht uit dienst moeten, is veel militaire expertise de laatste paar jaar bovendien verdwenen. Met name Rusland, de VS, Duitsland, Japan en Zuid-Korea kunnen inspecteurs leveren. Andere landen zullen vooral met geld over de brug moeten komen om het afgeknepen budget aan te vullen.

Toch is er hoop onder experts. Eén van hen is Paul Walker, een Amerikaanse oud-medewerker van de OPCW die in het verleden de veilige ontmanteling van Russische en Amerikaanse chemische wapens begeleidde. Voor dit werk kreeg hij vorige maand de Right Livelihood Award, ‘alternatieve Nobelprijs’ genoemd. Op een conferentie in Wenen over de ontmanteling van massavernietigingswapens, liet hij zich tegenover deze krant opvallend optimistisch uit ‘over de vernietiging van chemische wapens in ’Syrië’. „Assad moet wel meewerken,” zei hij. „Als hij dat niet doet, of hij bedondert de boel, dan is voor hem en zijn familie alles verloren.”

De Iraakse dictator Saddam Hussein kon na 1991 alleen overleven als hij kat en muis speelde met inspecteurs. De Libische leider Gaddafi verstopte ook wapens, maar die kon het zich permitteren omdat hij eerder wel zijn hele nucleaire arsenaal aan de internationale gemeenschap had overgedragen. Maar „Assad heeft die keuzes niet langer”, zegt Walker. Toelating van inspecteurs in Syrië, en de beloofde medewerking, is daarom „een echt historisch moment”. Volgens hem is de Nobelprijs voor de OPCW „een eerbewijs aan de unieke stijl van effectieve, praktische diplomatie”, die landen in de hele wereld heeft overgehaald om het chemische wapenverdrag te tekenen.

Met Birma lopen daarover al langer eveneens gesprekken, bevestigt diplomaat Van Donkersgoed. Van Angola en Zuid-Soedan wordt verwacht dat ze binnen afzienbare termijn tekenen. Noord-Korea is een geval apart en dat land zal alleen bewegen als onderdeel van een grotere deal. Ook het wijdere Midden-Oosten blijft een diplomatieke Rubiks kubus, al maakte de Israëlische president Peres tijdens zijn bezoek aan Den Haag vorige week een kleine opening voor ratificatie.

Maar hoe de Syrië-operatie ook uitpakt, „met de relatieve onbekendheid van de OPCW is het sinds gisteren voorbij”, zegt Van Donkersgoed. Er zal blijvende aandacht zijn voor het moeilijke werk van de inspecteurs ‘in het veld’ aan wie OPCW-chef, Ahmet Üzümcü, de Nobelprijs gisteren onder een staande ovatie van de diplomaten in Den Haag opdroeg.