Moord op de camping O

Reconstructie //

Campingbaas Fred Nijholt werd vorig jaar plots vermoord. De dader kreeg acht jaar. Niemand is tevreden met die straf. Hoe kun je ook het juiste oordeel vellen over iets wat je niet begrijpt?

Tekst Carola Houtekamer & Freek Schravesande

Foto’s Peter de Krom

p het terras van de campingkantine leunt een kleine, stevige vrouw tegen een airhockeytafel. Lenie, 46 jaar, kort haar, rode crocs. Het is vlak voor middernacht. Ze rookt een sigaret en wacht op de politie. Ze heeft zojuist een moord gepleegd.

We bedriegen onszelf. Elke ochtend staan we op met de gedachte dat we weer een dag uniek zullen zijn. Spontaan, eigenzinnig, onvoorspelbaar. Maar elke ochtend kleden we ons weer aan, trekken we de wc door, doen we de deur op slot. Op het perron wachten we tot iedereen is uitgestapt, op de snelweg rijden we rechts. ’s Avonds doen we het licht uit. We doen wat hoort, lopen binnen de lijntjes. Zo blijft de machine draaien.

Maar heel soms doet er één iets geks, iets wat niemand verwacht. Die slaat af terwijl de rest doorloopt. En dan hapert het systeem.

Zoiets gebeurde op 17 mei 2012, Hemelvaartsdag, op camping De Breyenburg in Ledeacker. Toen trok campinggast Lenie H. uit het niets een Heckler & Koch en schoot campingbaas Fred Nijholt in z’n gezicht. Aan de bar, van een paar meter afstand, voor het oog van z’n vrouw en twee stiefkinderen. Op 18 april kreeg ze twaalf jaar cel voor doodslag.

Niemand is tevreden met die straf. Haar advocaat en het Openbaar Ministerie zijn in hoger beroep. Hoe kun je ook het juiste oordeel vellen over iets wat je niet begrijpt? Wat niemand begrijpt? Eind deze maand is de eerste zitting.

Camping De Breyenburg is een „mooi gelegen gezinscamping” in Ledeacker, een dorp in het oosten van Noord-Brabant. Een gezellige camping, meldt de website, met een „uitgebreid animatieprogramma voor kinderen én volwassenen”. Er is een zwembad en een kinderboerderij en een stal met paarden. En in de naastgelegen feestboerderij van Johnny Romein, bekend van de hit ‘Alie-Mentatie’, kon je dansen en onder het genot van gemarineerde speklap en Beierse worst, erotisch dineren – tot voor kort, want het pand fikte laatst af.

In feite is De Breyenburg een klein dorp met vooral vaste bewoners in stacaravans. Een mix van rustzoekers, gescheiden vaders en mensen die hun huis uit zijn gezet of de rug naar de wereld hebben gekeerd. Het is een minimaatschappij met een eigen moraal, eigen wetboek, en eigen gekleurde muntjes als valuta.

Aan het hoofd staat de campingbaas. Dit is zijn grond, hij heeft het hier voor het zeggen. Hij is de directeur, de politieagent, de burgemeester, en de kantine is het gemeentehuis.

Het is kwart voor negen ’s avonds als Lenie en haar vriend Piet de kantine van de camping binnenkomen. Ze hebben al een flinke slok op. Lenie gaat zitten op het hoekje van de bar, haar vriend kruipt achter de gokkast. Achter de bar tapt campingbaas Fred bier, Hertog Jan. Ook zijn nieuwe vrouw is er, met haar twee zoons. Aan de bar zitten een paar vaste gasten.

Een camping is geen democratie. En de bewoners weten dat. Wie iets gedaan wil krijgen – een schuttinkje ernaast, een schuurtje erachter, een vijvertje ervoor – moet dat regelen met de baas.

De absolute winnaar van dit diplomatieke spel is Wilma Vermolen, 56 jaar. Een biografie van Wilma is een biografie van de camping.

Wilma woont aan de rand van de camping in drie aan elkaar geschakelde caravans. Ze is de meest vaste bewoner van allemaal. Iedereen moet in de winter door de week van de camping af, zij niet. Ze procedeerde net zo lang bij de Raad van State tot ze een eigen adres kreeg. Bij Fred regelde ze vier parkeerplaatsen, vier sleutels voor de slagboom, een nachtsleutel, de sleutel van de meterkast en de vuilnisstort en een eigen waterleiding.

„Wat een toestand”, zucht ze vermoeid aan haar tafel in het keukendeel. „Ik kan er niet van slapen.” Ze steekt een sigaret op uit haar reuzenpak Johnny Player, 170 sticks. In 1989 kwam ze hier wonen. Ze komt uit een kermisfamilie, haar vader zat in „het poffertjeswezen”, haar man, inmiddels overleden, is van het zigeunergeslacht Mirando. Aan de muur hangt nog zijn viool en foto’s van feestjes waarop hij met zijn orkest speelde. „Kijk, hier is hij bij, toe hoe heettie-nou, de Slang? Nee, de Hakkelaar!”

Ja, sorry, ze is warrig. „Ik ben helemaal mezelf niet op het ogenblik. Ik heb zo veel meegemaakt.”

Het leven op de camping is niet alleen maar bingo, playbackshows, biertjes in de kantine en eindeloos barbecuen met de buren. Het is ook: het gekonkel tussen de verschillende veldjes, het geroddel, de ruzies en het vreemdgaan. Het afbranden van de kantine en daarna de wagen van de overburen. En natuurlijk de dood van de zware Dick van verderop, Dikkie Dik noemden ze ’m, die van dit alles nog wel de meeste indruk op haar heeft gemaakt.

Ze steekt nog een sigaret op. „Vanavond bij mij wat drinken, vroeg Dick. Maar bij Dick is het: biertje, biertje, biertje en dan nog wat kopstootjes.”

Ze wilde naar huis, de kinderen moesten eten. Maar Dick zei: neeuh, joh. Zittuh!

„En toen viel hij achterover van z’n stoel. Bloed uit z’n neus en oren. Ze hebben hem met zes man uit de caravan moeten tillen.”

En dan nu dit, zucht ze.

Wilma kon die avond niet slapen, ondanks de temazepam. Ze keek Miljoenenjacht toen ze werd gebeld door de buren. Wilma, er staat een traumahelikopter in de wei. In haar ochtendjas ging ze naar voren. Alles afgezet. „Godverdomme, het is Fred.”

De sfeer zit er niet in vanavond. Lenie is nijdig. Ze is eerder die dag door Fred op de vingers getikt. Dat ze haar hond, type buldog, echt aan moet lijnen. Er is ook al een kip van de kinderboerderij dood. Lenie blijft zeuren tegen Fred; waarom krijg ík altijd de schuld? Fred probeert haar te sussen. Je hebt te veel gedronken, Lenie, laten we het er morgen over hebben. Maar Lenie houdt niet op.

Waarom Fred? Waarom moest Fred dood? De politie ging chalet na chalet af, ondervroeg >> >> tientallen gasten, maar bleef tasten in het duister. Ging het om hondenpoep? De dooie kip? De sleutel van de slagboom? Een rekening? Illegaal verblijf in de wintermaanden? Hennep? Of lag het misschien aan Fred zelf?

Fred, antwoordde een tiental campinggasten en omwonenden op vragen van de verslaggevers, was „een wereldgozer”. „Een joviale vent.” „Nooit last mee.” „Een hart van goud.”„Als iemand een boom wilde verplaatsen, dan hielp hij.” Was het gezellig in de kantine tegen sluitingstijd, dan schonk hij nog een rondje. En nog één.

Fred was een echt campingmens. Hij groeide op op camping De Scheepsbel in Nunspeet, leerde daar de regels van het spel. In 1989 kocht zijn vader De Breyenburg. De verkoper had het boerderijtje met koetjes en varkens uitgebouwd tot goedlopende gezinscamping. Fred nam al snel de leiding.

Langzaam veranderde de camping van een plek voor recreanten tot een woonplaats voor vaste gasten. Bewoners die er van april tot oktober zitten, of het hele jaar rond. Vaste bewoners zijn een ander slag volk, weten campingbazen. Dat zijn mensen die altijd méér willen. Meer ruimte, meer rechten. Een kippengaasje voor de hond, een hek met een poort en een slot. En hoe langer ze blijven, hoe meer ze eisen.

Ervaren campingbazen hanteren daarom één gouden regel: nee is nee, voor iedereen, op elk moment. Een campingbaas moet voet bij stuk houden, één lijn trekken. En dat kan alleen als je met niemand vrienden wordt. Want gasten zijn als kleine kinderen, die proberen je voortdurend uit. Een campingbaas drinkt daarom geen koffie in de caravan van zijn gasten, woont buiten de slagboom van zijn terrein.

Fred wilde zijn gasten graag tegemoetkomen. Misschien wel té graag, zeggen bewoners. „Hij beloofde je de koe met de gouden horens”. Dat je er het hele jaar mocht wonen, bijvoorbeeld, maar als het puntje bij het paaltje kwam in de winter toch niet.

Hij trok niet één lijn. Met de één dronk hij na sluitingstijd nog een biertje in de kantine, met de ander niet. De één mocht wel met onderstel bouwen, de ander niet. Werd je serre eerst nog goedgekeurd, dan moest-ie later toch weer worden afgebroken. Dat leverde scheve gezichten op. „Zo jaag je mensen tegen je in het harnas”, zeggen sommigen. En ook: „’t Is hard, maar vroeg of laat moest Fred een keer de verkeerde tegenkomen.”

Lenie blijft maar doorgaan tegen Fred over de hond. Om half elf staat Piet op van de gokkast en loopt de kantine uit. Om contant geld te halen, zal hij later zeggen. Waar is-ie nou, wil Lenie na tien minuten weten. Ze gaat er achteraan. Weer tien minuten later komt ze terug in de kantine, met haar hand op haar rechterbroekzak. Ze kan haar chalet niet in, zegt ze, ze is haar sleutels kwijt. Een sleutelbos met een vossenstaartje eraan.

Een burgemeester houdt niet van leegstand in z’n dorp. De tuinen verwoekeren, de buurt verloedert. Het liefst vult hij zijn wijken met jonge gezinnen, welgestelde gepensioneerden, en, vooruit, een handjevol creatieven. Maar je hebt het niet altijd voor het kiezen.

Ook Fred wilde op De Breyenburg zijn lege plaatsen graag gevuld – zijn inkomen hing ervanaf. Een lastige klus in deze tijd, want wie heeft nog geld voor een tweede huis? Her en der stonden chalets leeg.

Fred liet intussen de teugels vieren. Hij kwam net uit een scheiding. Hij was met z’n gedachten ergens anders en gooide de poorten open.

Over de nieuwkomers trokken de vaste gasten hun wenkbrauwen op. Hoe ze dronken, praatten, zich kleedden. Mensen die het „niet helemaal op een rijtje” hadden. Nergens anders heen konden. Bij een enkele caravan stapelde het vuil zich op.

In die stroom kwam ook Lenie uit Alkmaar binnen, 46 jaar oud, met haar man Klaas. Ze hadden hun huis moeten verkopen en zochten een tijdelijk onderkomen. Op Marktplaats vonden ze op De Breyenburg een nette, bruine caravan, de jaarplaats betaalden ze keurig aan. Hun caravan dosten ze uit met Heineken-parafernalia.

Ze waren verslaafd aan de drank geweest, zij en Klaas, maar nu waren ze „schoon”, vertelden ze. Maar zo schoon waren ze niet. Bij de playbackshow, hun eerste bezoek aan de kantine, zagen gasten hoe ze drie flessen wijn wegsloegen. „Maar ach”, zeiden de gasten, „er zijn wel meer alcoholisten.”

Klaas en Lenie waren niemand tot last. Goed, als iemand het duo tegenkwam, was het steevast bij de buurtsuper in St. Anthonis met een wagen vol bier. En als Lenie dronken was, kon ze heftig reageren. Dan maakte ze ruzie en nam de bocht op het campingterrein veel te hard.

Maar het waren geen boemannen. Voor hun caravan stonden ze soms stillevens te schilderen. Met voorbijgangers maakten ze een praatje. Lenie decoreerde zelfs nog eens een oude suikerspinkar van Wilma – wat toch wel „heel lelijk” werd.

Het gedonder begon toen Piet M. uit Amsterdam de caravan kocht die ooit van de in elkaar gezakte Dikkie Dik was geweest. Piet was een crimineel type dat rondbazuinde dat hij Toos van der Valk van de hotelketen ooit had ontvoerd. Voorzien van strafblad, grijze joggingbroek die van z’n kont zakte, en altijd een dik pak flappen op zak. En in zijn caravan, maar dat wist niemand, een Heckler & Koch.

De gasten zagen hoe Piet het aanlegde met Lenie ten koste van Klaas. Die ging van ellende steeds meer drinken en belandde in een afkickkliniek.

Die dag, Hemelvaart 2012, was een kalme lentedag, lichtbewolkt, 15 graden Celsius. Fred had Lenie eerder die dag aangesproken op haar loslopende hond. Honden aan de lijn, daar was Fred wél heel strikt in. Lenie, geen vriend van Fred, voelde zich gepakt. Waarom kreeg zij weer op haar kop en de rest niet?

Om vijf voor elf komt Piet weer terug. Hij kruipt achter de gokkast. Lenie zeurt door over de hond tegen Fred. Een paar vaste gasten vinden de sfeer onaangenaam en vertrekken. En dan, iets voor half 12, buigt Lenie opeens voorover en wijst in de richting van Fred. Die zit op een kruk achter de bar. In haar hand heeft ze een zwart pistool. Nee, niet Fred! schreeuwt z’n stiefzoon. Maar Lenie, die nog nooit in haar leven geschoten heeft, haalt de trekker over. Ze schiet raak.

Mensen hebben de neiging om alles wat mensen doen te reduceren tot een heldere verklaring. Dus ook moord. Afrekening, openstaande schuld, huiselijk geweld, de meeste moorden zijn de uitkomst van zo’n simpele rekensom. De restcategorie heet ‘ontoerekeningsvatbaar’. Dat houdt de wereld overzichtelijk. Zonder verklaring wordt de mens ongrijpbaar, eng.

De som van De Breyenburg lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: campingbaas die willekeur hanteert plus aan lager wal geraakt stel dat zich benadeeld voelt plus wapen maal drank. Het wapen waarmee Lenie schoot was van Piet M., dat staat vast. Ze zouden de moord buiten, voor de kantine, hebben beraamd. „Doe jij het of doe ik het?”

Maar de som klopt niet. De uitkomst kan geen moord zijn, hooguit een klap. Het ruzietje ging om een hond, meer niet. Er was geen slepend conflict, niet tussen Lenie en Fred, niet tussen Piet en Fred. En Lenie was dan wel dronken, ze was niet ontoerekeningsvatbaar, oordeelde de rechter. Ze was niet gek, en ze had tijd genoeg gehad om zich te bezinnen.

Uren en uren verhoor hebben geen motief opgeleverd. In het hoger beroep begint het circus straks weer opnieuw. Een moord zonder motief is een stok in de raderen van het rechtssysteem.

Piet is op vrije voeten, Lenie zit nu op een psychiatrische afdeling van een gevangenis. Waarom ze het deed? Ze weet het zelf ook niet. Ze worstelt ermee, zegt haar advocaat.

Die ochtend kleedde ze zich aan, zoals elke dag. Ze trok de wc door, deed de deur op slot. Maar terwijl de rest rechtdoor liep, sloeg zij rechtsaf. Zonder te weten waarom. <<

    • Freek Schravesande
    • Carola Houtekamer