Met uitzicht op het meer I

Fictie // Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: proef van Nobelprijswinnaar Alice Munro

een fragment uit haar verhalenbundel Lief leven.

k ben hier nog nooit geweest’, zegt ze. ‘Natuurlijk niet, anders zou ik deze plek wel gezien hebben. Ik liep hier rond omdat ik iets zocht. Ik dacht dat ik het gemakkelijker zou vinden als ik mijn auto parkeerde en ging lopen. Ik ben eigenlijk op zoek naar het kantoor van een dokter.’

Ze legt uit dat ze niet ziek is, maar alleen morgenochtend een afspraak heeft en er dan niet eerst naar wil lopen zoeken. Dan vertelt ze hem over het parkeren van haar auto en dat het haar verbaasd had dat de naam van de dokter die ze zocht nergens stond aangegeven. [...]

Ze vertelt hem hoe de dokter heet, maar de naam zegt hem niets.

‘Maar ik ga ook nooit naar de dokter.’

‘Daar doet u waarschijnlijk verstandig aan.’

‘O, dat misschien ook weer niet.’

‘In ieder geval kan ik nu beter naar mijn auto teruggaan.’

Hij staat tegelijk met haar op en zegt dat hij met haar mee zal lopen.

‘Zodat ik niet verdwaal?’

‘Niet echt. Ik probeer ’s avonds rond deze tijd altijd even mijn benen te strekken. Door het werk in de tuin raak je vaak verkrampt.’ [...]

Ze lopen verder zonder dat ze iemand tegenkomen.

Algauw bereiken ze de hoofdstraat, met het medische centrum een blok verder. Wanneer ze het ziet, voelt ze zich wat minder op haar gemak en ze weet niet waarom, maar even later weet ze het wel. Ze heeft een absurde maar alarmerende gedachte door de aanblik van het medische centrum gekregen. Als de juiste naam, de naam die ze had gezegd niet te kunnen vinden, daar nu eens al die tijd gestaan had. [...]Hij zegt dat hij net iets bedacht heeft.

‘Die dokter’, zegt hij.

‘Ja?’

‘Ik vraag me af of hij misschien aan het tehuis verbonden is.’

Ze lopen weer en passeren een paar jongemannen die op het trottoir zitten, een met zijn benen zo ver vooruitgestoken dat ze eromheen moeten lopen. De man die bij haar is, besteedt geen aandacht aan hen, maar hij is zachter gaan praten.

‘Tehuis?’ zegt zij.

‘U zult het niet gezien hebben als u van de snelweg bent gekomen. Maar als u de stad uit rijdt in de richting van het meer, dan komt u erlangs. Het ligt nog geen kilometer hier vandaan. U rijdt langs de grindberg aan de zuidkant van de weg en dan is het maar een klein eindje verder, aan de andere kant. Ik weet niet of ze daar een inwonende dokter hebben, maar dat lijkt me wel logisch.’

‘Een inwonende dokter’, zegt ze hem na. ‘Dat lijkt me wel logisch.’

Dan hoopt ze dat hij niet denkt dat ze hem expres na-aapt en een dom grapje maakt. Het is waar dat ze graag nog wat langer met hem zou praten, domme grapjes of niet. [...]

‘U kunt het proberen’, zegt hij en dat vindt ze zelf ook.

‘U kunt daar heel gemakkelijk afslaan en even gaan kijken. Als daar regelmatig een dokter is, is het niet nodig dat zijn naam op een bordje in de stad staat. Of haar naam, als dat het geval is.’

Alsof hij ook liever nog geen afscheid wil nemen.

‘Ik ben u veel dank verschuldigd’, zegt ze.

‘Het is maar een idee.’

Hij houdt het portier open terwijl ze instapt, slaat het dicht en blijft staan wachten totdat ze de auto in de juiste richting gedraaid heeft en zwaait dan ten afscheid.

Als ze het plaatsje uit rijdt, ziet ze hem weer, in de achteruitkijkspiegel. Hij buigt zich voorover en praat tegen de jongens of jongemannen die daar op het trottoir zitten met hun rug tegen de muur van de winkel. Hij had hen zo duidelijk genegeerd dat het haar verbaast hem nu tegen hen te zien praten. [...]

Ze kan hem beter uit haar gedachten zetten. Ze ziet de grindberg naderen, ze moet opletten waar ze heengaat. Precies zoals hij heeft gezegd. Een bord met ‘Verzorgingstehuis Meerzicht’. En hier heb je ook werkelijk uitzicht op het meer, een lichtblauw lint aan de horizon. [...]

Ze kijkt rond naar een bel om op te drukken of aan te trekken als ze naar de deur loopt. Maar dat is niet nodig, de deur gaat vanzelf open. En als ze eenmaal binnen is, is het er nog ruimer en indrukwekkender en heeft het glas een blauwe glans. [...]

Op dit moment is er nergens een dokter te zien.

Dat ligt ook niet voor de hand. Dokters zitten nu eenmaal niet achter de balie op hun patiënten te wachten.

En ze is hier niet eens voor een consult. Ze zal weer moeten uitleggen dat ze alleen zeker wil zijn van de tijd en de plaats van een afspraak voor morgen. Ze is nogal moe geworden van dit alles.

Er is een ronde balie, die tot haar middel reikt, met panelen van donker hout dat er als mahonie uitziet, maar het waarschijnlijk niet is. Er zit niemand achter op dit moment. Het is natuurlijk laat. [...]

Ze loopt naar een van de misschien toegankelijke deuren toe en klopt en voelt dan aan de deurknop, maar ze krijgt er geen beweging in. Op slot. En ze kan ook niet echt door het raam kijken. Van dichtbij golft en vervormt het glas.

De deur ertegenover heeft hetzelfde probleem met het glas en hetzelfde probleem met de deurknop. [...]

Maar ze geeft het niet op. Ze probeert de deuren opnieuw in dezelfde volgorde en dit keer rammelt ze aan beide deurknoppen, voor zover dit mogelijk is, en roept ook ‘Hallo?’ met een stem die eerst zwak en dwaas klinkt en daarna gekrenkt en zonder veel hoop.

Ze wringt zich achter de balie en bonkt daar op de deur, bijna zonder enige verwachting. Hij heeft niet eens een deurknop, alleen een sleutelgat.

Er zit niets anders op dan te vertrekken en naar huis te gaan.

Het ziet er allemaal heel vrolijk en elegant uit, denkt ze, maar er is geen enkele poging gedaan om het publiek van dienst te zijn. Natuurlijk stoppen ze de bewoners of patiënten of hoe ze hen ook noemen vroeg in bed, net als overal, hoe mooi de omgeving ook mag zijn.

Terwijl ze hier nog over nadenkt, duwt ze tegen de grote toegangsdeur. Hij is te zwaar. Ze duwt nog eens.

En nog eens. Hij geeft niet mee.

Ze kan de bloempotten buiten zien staan. Over de weg rijdt een auto. Het zachte avondlicht.

Ze moet nu goed nadenken.

Er is hier geen kunstlicht. Het zal hier donker worden. Ondanks het dralende licht buiten lijkt het al donker te worden. Er zal niemand komen. [...]

Ze opent haar mond om te schreeuwen, maar er lijkt geen geschreeuw uit te komen. Ze beeft nu over haar hele lichaam en hoe ze ook haar best doet, ze kan geen adem in haar longen krijgen. Het is alsof er vloei in haar keel zit. Verstikking. Ze weet dat ze zich anders moet gedragen en vooral iets anders moet geloven. Kalm blijven. Rustig ademen.

Ze weet niet of de paniek lang heeft geduurd of maar kort. Haar hart bonst, maar ze is er bijna doorheen.

Er is een vrouw hier die Sandy heet. Dat staat op het speldje dat ze draagt en Nancy kent haar trouwens ook. ‘Wat moeten we met u aan?’ zegt Sandy. ‘We proberen u alleen maar in uw nachtjapon te krijgen. U lijkt wel zo’n kip die bang is dat hij opgegeten zal worden. U zult wel gedroomd hebben’, zegt ze. ‘Waar hebt u nu over gedroomd?’

‘Over niets’, zegt Nancy. ‘Het was toen mijn man nog leefde en toen ik nog autoreed.’

‘Hebt u een mooie auto?’

‘Een Volvo.’

‘Ziet u wel? U bent nog helemaal bij de pinken.’