Luxe? Dat is de vrijheid om niets te doen

Ooit dacht Liset Hamming (eerste prijs) bij luxe aan een mooi hotel of een duur horloge. Maar sinds haar burn-out is ze jaloers op mensen die niets kunnen doen.

illustratie marike knaapen

Het is een van de eerste warme zomerdagen in juni. De zon schijnt, ik zie overal jurkjes en flessen rosé. Ik kijk naar de bootjes op de gracht. Wat zou ik nu graag op het water zijn. De zon op mijn huid, eten en drinken in een koeler. Een paar uur helemaal niks doen. Wat een luxe.

De laatste tijd heb ik dat vaak. Dat ik op een plek wil zijn waar ik niet ben. Tot en met mijn afstuderen ben ik bezig geweest met waar ik wilde zijn en wat ik daar wilde doen. Toen ik mijn eerste baan vond, dacht ik dat ik die plek gevonden had. Ik werkte hard, bij een groot advocatenkantoor. Ik gebruikte mijn hersens, ik ontmoette gedreven mensen en verdiende veel geld.

In de zomer van 2012 kwam ik nauwelijks meer buiten. Hyper van de lange dagen die ik maakte, fietste ik ’s avonds naar huis door een vreemde stad. ’s Nachts kon ik de slaap niet vatten. In de herfst – een rustige periode op kantoor – voelde ik me leger en leger worden. Mijn schouders zaten vast en ik slikte elke dag pijnstillers tegen de pijn in mijn nek.

Na een winter met dagelijks hoofdpijn zat ik een aantal maanden met tranen thuis op de bank. In maart dit jaar liep ik voor het eerst sinds jaren midden op de dag doelloos een blokje om. Zo belandde ik in het zojuist heropende Stedelijk Museum van Amsterdam. Ik nam plaats op een bankje voor een groot blauw doek. Keek naar de enige witte streep in het midden tussen al dat blauw. Een golf van energie trok vanuit mijn tenen, door mijn benen, buik en borst naar mijn keel. Ik keek rechts en links van me, er was niemand. Haalde diep adem en blies zó lang uit dat het leek alsof mijn lijf en dat grote blauwe doek alleen op de wereld waren.

Dat was drie maanden geleden. Inmiddels heb ik mijn baan opgezegd. Nog wat onwennig herinner ik mezelf eraan dat het weekend is en ik besluit een boor en de overgebleven pluggen terug te brengen aan een vriend, Thomas. We praten na over een toneelstuk dat we gisteravond hebben gezien en ik vraag hem wat voor hem luxe is.

Hij trekt meteen een verbeten gezicht, zegt dat luxe voor hem een negatieve bijsmaak heeft en dat het hem tegen de borst stuit dat de tijd, arbeid en het geld dat met het produceren van die luxeproducten gepaard gaat, niet wordt besteed aan nuttige zaken. Nuttige zaken?

Het komt me opeens vreemd voor dat mijn mijmeren over een tochtje op het water als luxe voelde. In gedachten ga ik na wat ik in mijn leven nog meer als luxe heb ervaren. Ik herinner me een vakantie met mijn ex-vriendje. Een groot hotel met zwembad en een huurauto, ’s ochtends en ’s middags onbeperkt eten. Ik denk aan een horloge van een studiegenoot, groot met glanzend zilver en duidelijk meer dan enkel alleen een manier om te weten hoe laat het is. Als ik boodschappen doe, ben ik onder de indruk van de hoeveelheid producten. Als ik uit eten ga en ik hoef de borden niet af te wassen, voel ik me een prinses. Maar steeds vaker merk ik dat er op onbewaakte momenten een nieuw soort luxe gevoel op me neerdaalt. Bijvoorbeeld toen ik even mijn ogen sloot en de wind hoorde ruisen. En toen ik midden op een doordeweekse dag bij de lunch besloot iets langer te blijven zitten. Telkens was het een afgeleide geweest van dat gevoel in het Stedelijk Museum.

Wat is dat gevoel van luxe? Wat was het toen in dat mooie hotel met huurauto, wat was het toen ik naar het horloge van mijn studiegenoot keek maar belangrijker nog, wat is het nu als ik mijn ogen sluit of langer dan gepland aan tafel blijf zitten?

Mijn goede vriendin Myra Anne vertelde me dat haar vriend haar een luxepaard vindt. Als zij tijdens hun vakanties op zoek zijn naar een plek om te slapen, draagt zij steevast de ene na de andere prachtige hotelkamer aan. Ik vroeg haar of ze die hotelkamers zelf ook als een luxe ziet. Ze zei me dat ze wel ziet dat het mooie en dure hotelkamers zijn, maar dat ze die hotelkamers om een andere reden als luxe ervaart. De luxe zit ‘m voor haar in de veiligheid uit haar jeugd. De hotelkamers vertegenwoordigen dat gevoel.

Zit ze nu in zo’n hotel, dan denkt ze terug aan de vakanties met haar ouders. Het gezin bracht die altijd door in mooie hotels. Inmiddels zijn haar ouders gescheiden en kan zij zich die hotelkamers niet veroorloven, maar ze wil wel dat gevoel van veiligheid terug.

Welvaart in de zin van materiële rijkdom wordt in onze maatschappij over het algemeen hoog aangeslagen. Binnen zo’n maatschappij brengt het creëren van bovengemiddeld veel welvaart status met zich mee, een status die impliceert dat je het goed hebt gedaan, de juiste beslissingen hebt genomen. Zoals ik dacht toen ik dat mooie horloge zag. Maar in het geval van Myra Anne gaat het niet om de status van luxe hotelkamers. Voor haar gaat het om een behoefte aan veiligheid en onbezorgdheid.

Later in mijn gesprek met Thomas gaf hij toe dat hij er wel van kan genieten om in een luxe auto te rijden. Niet alleen omdat luxe auto’s veiliger zijn dan ‘gewone’ auto’s – of je in ieder geval dat gevoel geven. Hij bekende dat hij ook geniet van de mogelijkheden om het in een auto koel te hebben terwijl het buiten warm is, en van het feit dat hij de ramen met één druk op de knop open en dicht kan doen. Hij ervaart het dan als luxe om te zien dat iemand daarover heeft nagedacht en een oplossing voor heeft bedacht. „Maar ik heb het niet nodig”, zegt hij. Het doet me denken aan de berg met goud die de nijlpaarden Gloria en Moto Moto in Madagascar 2: Escape to Africa opgraven maar links laten liggen, omdat ze op zoek zijn naar water. Maar Thomas heeft water – en meer dan dat. Wellicht is het voor hem voldoende omdat hij weet wat hij nodig heeft?

In ons land hebben we allemaal genoeg water gevonden. Sindsdien is er een behoefte ontstaan om ons op andere gebieden van elkaar te onderscheiden. Door de ontzuiling en de opkomst van het individualisme springen bedrijven gretig in op onze behoefte aan een eigen identiteit. Als we in onze basisbehoeftes zijn voorzien, zijn er alleen de schaarse luxeproducten om ons te onderscheiden. De media vertelt mij elke dag wat nieuw, mooi en onmisbaar is. Door de grote hoeveelheid en snel veranderende informatie, ongekende mogelijkheden en een stellig geloof in maakbaarheid en eigen verantwoordelijkheid, moeten we meerdere keren per dag snel keuzes maken om het bij te benen.

Veel van mijn generatiegenoten krijgen ergens tussen hun twintigste en vijfendertigste met een identiteitscrisis te maken. Juist door de behoefte aan een eigen identiteit weten we niet meer wie we zijn en wat we willen met wat we kunnen. We hebben water gevonden waardoor we kunnen leven, maar we weten niet wat we met het leven aan moeten. Te midden van alle mogelijkheden die er zijn, is weten wat je, behalve water, nodig hebt tricky business. Ten einde raad gaan we op zoek naar tijd en ruimte om onze eigen stem te horen. Yogascholen, stilteretraites, life coaches en mindfulness trainingen schieten als paddenstoelen uit de grond. Maar kijk uit. De commercie weet je te vinden. Voor je het weet, ren je van de ene yogales naar de andere en nog even vlug langs die nieuwe duurzame winkel waar alles goed voor je is. Zelfs het tijdschrift FD Luxe, een bijlage van Het Financieele Dagblad, kopt berichten met ‘Een goede nachtrust. De ultieme luxe in het leven’.

Op straat terug naar huis kom ik een jongen tegen die ik van vroeger ken. Ik vertel hem dat ik aan het schrijven ben. „Over wat luxe is”, zeg ik, benieuwd naar zijn reactie. Hij antwoordt: „O daar weet jij natuurlijk alles van, met jouw achtergrond.” Zijn opmerking irriteert me. Maar ik realiseer me ook dat hij mijn jeugd, waarin ik inderdaad geen gebrek aan materie heb gekend, als pure luxe ziet. Niet zo gek. Voor hem, en velen met hem, is dat luxe.

Kijk ik er nu op terug, dan vind ik het ook een haast onvoorstelbare luxe. Omdat ik nu niet op die voet kan leven. Tegelijkertijd wil ik niet zo hard werken als mijn vader, met alle gevolgen voor zijn huwelijk en relatie met zijn kinderen van dien. Ik wil ook niet van bijdragen van mijn ouders, partner of overheid afhankelijk zijn. Dat is niet nodig. Ik ben toch slim genoeg om het zelf te verdienen?

Jaloezie en luxe zijn nauw met elkaar verbonden. En de schijn van luxe ligt daarbij steeds op de loer. In bijna alle gevallen van mijn jaloezie bleek dat degene waar ik jaloers op was, hard had gewerkt voor wat in mijn ogen een luxe was. Natuurlijk heeft de één van nature of door opvoeding meer zorgeloosheid of minder onzekerheid meegekregen dan de ander. Maar de zoektocht naar meer dan water valt of staat bij het accepteren van wie je bent en de wereld waarin je leeft, zodat je kan ontdekken wat je nodig hebt. Betekent dit dat als je helemaal omarmt wie je bent en de wereld waarin je leeft, er voor jou zelfs helemaal geen luxe meer bestaat? Of betekent het slechts dat je dan kan genieten van de luxe die jij en anderen hebben?

Het zou me niet verbazen dat je jezelf, de wereld en je leven als één grote luxe ervaart als je je luxe dankbaar accepteert. Mijn definitie van hard werken om die plek waar ik wilde zijn te vinden, veranderde. Het harde werken dat ik aantrof bij de mensen waar ik jaloers op was, had meestal niets te maken met het harde werken dat ik bij mijn baan als advocaat had ervaren. Maar met loslaten, fouten maken, plezier hebben, opeisen en delen.

Door de ontspanning die me overkwam in het Stedelijk Museum, realiseerde ik me dat ik vooral behoefte had aan tijd en aandacht. Net als ‘hard werken’ kregen ook de woorden ‘ontspanning’ en ‘welvaart’ een andere betekenis. Of eigenlijk kregen ze hun werkelijke betekenis terug: wel-varend, ont-spanning. Wat was het dat bij mij spanning creëerde en waar vaar ik wel bij? Het antwoord heb ik niet één, twee, drie. Maar door te sturen op wat ik als luxe zie, ontdek ik de ene na de andere sluimerende behoefte.

Zo blijkt dat, als ik eerlijk ben, de eigenwijsheid van sommigen, hun lol in het leven en hun werk en de tijd die zij nemen voor bezinning en ‘niets doen’ mij het meest jaloers maken. Zo ontdek en accepteer ik wie ik ben en mijn plek in de wereld waarin ik leef. En ik eis de tijd op die ik daarvoor nodig heb.

Wellicht dat als ik blijf sturen op wat ik nodig heb, die sluimerende behoeftes, ik steeds minder vaak een gevoel van luxe zo heftig als toen in het Stedelijk Museum zal ervaren. Omdat ik zo’n heftig gevoel om me wakker te schudden niet meer nodig heb. Maar met een beetje geluk klopt mijn veronderstelling dat ik dan welnu meer van mijn leven kan genieten.