Lévy, Warhol, Miley, Ginsberg

Joyce Roodnat

In Saint-Paul-de-Vence mocht de filosoof Bernard-Henri Lévy een wedstrijd organiseren tussen kunst en filosofie. De kunst wint op punten.

In Arles zweven grote aluminiumfolie kussens door Musée Réattu. Voor de tentoonstelling Nuage herschiep men de legendarische installatie ‘Silver Clouds’ van Andy Warhol uit 1966.

En in de VS? Daar vallen ze met zijn miljoenen heen over één popzangeres die zich onbetamelijk gedroeg.

Miley Cyrus is een Amerikaanse singer-songwriter en performer in de reeks Madonna en Lady Gaga. Twintig jaar jong. Ik zie haar graag. Ze is een hitsige pias, grappig en aantrekkelijk. En aan gêne doet ze niet.

Voor wie het even gemist heeft: in een druk bekeken tv-show zong en danste ze uitdagend. Grepen in het kruis en zo. Tot zover niks nieuws. En toen gebeurde het. Ze twerkte.

Wat dat is? Mode op de dansvloer, dus gerotzooi met de heupen. Ooit was het de twist. In de jaren tachtig werd het bumpen. Nu is het dus twerken: de vrouw schokt met haar billen. Miley wiebelde aldus tegen het kruis van haar danspartner.

Nou èn? Vergeleken met het slijpen (full frontal contact) uit de jaren vijftig is het bescheiden. Maar nee. Dit kón niet. Over zanger Robin Thicke die zich ook zo netjes niet gedroeg had niemand het, afgezien van een commentator die te doen had met „his beautiful wife”. Maar Miley Cyrus kreeg bakken vitriool over zich heen.

Van tango tot bouncen, dansen is gestileerd vrijen en een goeie song is daarop uit. De moeder van Ray Davies, ex-Kinks, wist dat. In zijn theatershow 20th Century Man (in 1997 alweer), vertelde Davies hoe zij haar dochters verbood om te dansen op bepaalde plaatjes. Zodra zij van huis was, werden die uiteraard gedraaid. Ray keek toe hoe zijn vijf zussen met hun vriendjes in de voorkamer dansten. Zodra de gemoederen verhit waren, „I’d turn up the volume and the whole house would throb”. Prachtig beeld, dat bonkende huis – op songs van zangers die hun vak verstonden.

Moeder Davies’ zorgen waren begrijpelijk, maar uiteindelijk geldt slechts een oordeel over de kunst. Is Miley Cyrus choquerend? Misschien. Maar dat is het punt niet. Ze is een kunstenaar en haar onderwerp is de allesverterende lust van de postpuber. Niet zíj is pervers maar dat luide, collectieve verwijt van zedeloosheid. Dat ze een carrière in Disney’s jeugdserie Hannah Montana achter zich heeft, maakt het er niet beter op. Zo’n schattige kindster, en nu dit!

In Metz, in de dependance van Centre Pompidou, een gebouw als een luchtspiegeling, tref ik een sleutel tot haar kern. Er is daar een grote expositie over de Beat Poets, de psychedelische dichters uit de jaren zestig. In een donkere zaal vol film en geluid ga ik kopje onder in het werk en de levens van die New Yorkse vrijbuiters. Ik zie en hoor tegelijk William Burroughs voorlezen uit zijn roman Naked Lunch (daar ben ik nooit doorheen gekomen, maar met zijn afgebeten jazzy intonatie is ook het onbegrijpelijke geweldig), Philip Glass piano spelen, en Alan Ginsberg, de sater van de club, vertellen over zijn collega-schrijvers. Jack Kerouac had On the Road (1957) nooit geschreven zonder zijn vriend Neal Cassady, zegt hij.

Met Cassady was Kerouac on the road gegaan, van hem leerde hij het vrijbuiten. Neal Cassady. Mooie naam, mooie man. Minnaar van beide seksen. Marihuanaroker. Dronkelap. Roekeloos. Hardvochtig. Maar, mijmert Ginsberg, in hem stak „een zachte, gevoelige, homoseksuele hetero. Neal was hét voorbeeld voor Marlon Brando, hij inspireerde hem”. Het zou heel goed kunnen. Het is bekend dat Kerouac hoopte dat Brando in de verfilming van On the Road het personage zou spelen dat op Cassady was gebaseerd. Altijd doen de duistere onbehouwen mannen die Brando heeft gespeeld, een bang diertje vermoeden, sidderend achter die grote mond en die zware tors.

Maar dit gaat over meer dan Brando. Zacht verschuilen in hard – wie dat kan, is een kunstenaar met mogelijkheden. Miley Cyrus dus, al doet zij het omgekeerde. Hard is haar kern, ze weet wat ze wil. Dat ze ermee moet leven dat ze nog steeds wordt beschouwd als een kindster, dus puur en schatttig, wierp ze al twerkend van zich af. Ze had zich voor de gelegenheid uitgedost als een zacht, lief klein meisje. Maar die staartjes van een tienjarige en die piepstem waren haar wapenrusting. Onversaagd daagde ze haar publiek uit. En dat schrok, want het had het idee dat het een stijve kreeg van de kleine zeemeermin. Maar dat is niet háár probleem.

    • Joyce Roodnat