‘Ik voel me sterker dan een jaar geleden’

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

(Foto) „Dit was Jans huisje in de tuin: vol met foto’s en boeken. Hier zat hij altijd te lezen en te werken. Ik heb het ontruimd en laat het nu schilderen. Het wordt mijn huisje, waarin ik sieraden ga maken.” (Foto linksonder) „Jan met onze kleindochter Milou.” (Rechtsonder) „Enkele maanden voor zijn dood hebben we het nieuwe Stedelijk Museum in Amsterdam nog bezocht. Dat wilde hij zó graag zien.”

„Volgende week zondag komen mijn familie en enkele vrienden bij mij thuis. Eerst gaan we met z’n allen naar het graf van Jan. Na afloop eten en drinken we hier; dan praten we over Jan en over het hier en nu. Op 21 oktober is het een jaar geleden dat hij stierf.

„Ik ben het eerste jaar zonder Jan goed doorgekomen. Dat had ik niet verwacht, maar het is zo. Ik ben er sterker uitgekomen. Gek genoeg ben ik een aantal angsten kwijtgeraakt: bij vliegen en auto- rijden. Een psychologe gaf me de verklaring: ‘Je hebt iets meegemaakt waarvoor je altijd bang was. Dat heb je doorstaan. Andere angsten nemen daardoor af.’

„Ik mis Jan vreselijk, natuurlijk. Nog regelmatig huil ik. Soms schreeuw ik. Gelukkig kan ik dat: ik woon in een vrijstaand huis, niemand heeft er last van. I do my crying in the rain. Ik vind het prettig alleen te huilen. Dan hoef ik niet getroost te worden. Huilen kan dan ongeremd; dat lucht me op.

„Direct na de dood van Jan heb ik enorm opgeruimd en m’n huis van binnen geschilderd. De woonkamer was een ziekenhuisje geweest, met een hoog-laagbed, een tillift, een sta-opstoel en zo. Ik wilde m’n leven weer gewoon laten zijn, weer belangstellend voor andere mensen zijn en het gezellig, alledaags, maken met hen. Er moest weer kleur in mijn leven komen.

„In het voorjaar dacht ik: ik heb behoefte aan wat diepgang, ik wil meer doen met m’n verdriet. Ik was gaan twijfelen of ik wel goed genoeg voor Jan gezorgd had, of we wel alles uit de korte tijd hadden gehaald die we opeens nog samen hadden. Nu weet ik dat dit allemaal goed is geweest, maar ik was eraan gaan twijfelen.

„Ik wilde mijn verhaal over Jans ziekte, en over hoe belangrijk hij is geweest in mijn leven, achter elkaar aan iemand kunnen vertellen. Ik ben gezegend met fantastische kinderen, familie en vrienden, maar ik wilde ze niet tot last zijn door al te lang met hen mijn verdriet en twijfels te delen. Bovendien ben ik zelf nogal vragerig van aard. Ik zit al snel over het verdriet van iemands buurvrouw te praten (die ik helemaal niet ken), en achteraf denk ik dan pas: hè jammer, ik heb mijn eigen verhaal helemaal niet kwijt gekund.

„Ik heb een afspraak gemaakt met een rouwtherapeute, in de verwachting dat ik bij haar stelselmatig m’n verhaal kon vertellen. De eerste keer was dat ook zo: kaarsje aan, kopje thee d’r bij, echt fijn.

„De tweede keer begonnen we met een ontspanningsoefening. Ogen dicht. Nergens aan denken. Mindful-achtig. Op zich ben ik daar best van, ‘leven in het hier en nu’ en zo. Maar na afloop dacht ik wel: wat ben ik hier eigenlijk mee opgeschoten?

„De therapeute was een hartstikke lieve vrouw. Er zullen vast mensen zijn die zich prettig voelen bij haar methode. Maar ’t kostte wel 75 euro per uur. Ik verdien dat niet met mijn werk. Wat zou ik allemaal nog meer kunnen doen voor dat geld? Toen ik dat begon te denken, wist ik dat ik genoeg therapie had gehad.

„Ik zag enorm op tegen de zomer. Het was echt het seizoen van Jan, van hem en mij samen. Tot zijn pensioen, in 2010, heeft hij in de gemeentepolitiek gewerkt, als wethouder, waarin hij lange werkweken maakte. In de zomer lag zijn werk, en dat van mij op school, een tijdlang stil en dan konden we op pad met zijn camper, naar musea, lezen. En Jan was jarig, en onze trouwdag was in de zomer.

„Dit keer dacht ik: hoe kom ik ooit de zomer door? Toen bleek opnieuw hoe ik heb geboft met mijn familie en vrienden. Ik kreeg de ene uitnodiging na de andere en ik heb tegen alles ja gezegd. Ik ben in Frankrijk geweest, in Friesland, in Berlijn. En natuurlijk kwam mijn kleindochter logeren.

„Mijn broer vroeg: hoe voelt dat nu om overal alleen naartoe te gaan en niet als ‘stel’ binnen komen? Eerlijk waar, het valt me mee. Het heeft ook wel iets makkelijks: je eigen gang kunnen gaan, niet te hoeven overleggen; alleen rekening houden met je eigen voorkeur en niet ‘wat wil jij?, wat zullen we doen?' hoeven vragen.

„Natuurlijk is er ook die andere kant van alleen zijn: niet meer thuis komen en meteen je verhaal kwijt kunnen. En Jan heeft mij echt als een prinses behandeld. Als ik arriveerde met de boodschappen kwam hij aangerend om de zware tassen naar binnen te dragen en de boel op te ruimen. In de winter, als het koud was, ging hij m’n auto alvast even warm rijden voordat ik naar school ging. Als hij weg ging, schreef hij briefjes voor me, elke dag: ‘Prettige dag!’, ‘Het komt goed!’, Je kunt het!, ‘Dag lieve Nita’. Jan was echt een ontzettende lieverd.

„In de afgelopen zomer heb ik voor het eerst weer romans en andere dingen zomaar kunnen lezen. Voor die tijd had ik daar de rust en de concentratie niet voor. Het enige wat ik in de eerste maanden na Jans dood kon lezen, waren boeken over rouw. Dat vond ik fijn, daar had ik wat aan.

„Het boek van Karin Kuiper heeft indruk op me gemaakt, van de weduwe van de schrijver Karel Glastra van Loon, Je mag me altijd bellen, 1001 dagen van rouw. Ergens daarin schrijft ze: Fake it till you make it. Dat zou je nu mijn motto kunnen noemen.

‘Hoe gaat het met je...?’

‘O, goed hoor!’

„Regelmatig gaat het ook wel eens niet goed met me. Maar ik zeg graag ‘goed’ tot op de dag dat het écht weer helemaal goed zal gaan.”

Gijsbert van Es

Meer over deze interviewserie en reacties via nrc.nl/hetnabestaan Twitter: #nrc #hetnabestaan

    • Gijsbert van Es