Hoopgevende inheemse druiven

Harold Hamersma proeft in Portugal wijnen van voor en na de crisis.

Rood, wit en soms rosé, Annick Schreuder, 19,99 euro . De Bezige Bij.

Een klein jaar geleden was ik in de Portugese Douro-vallei voor een proeverij van negentien vintage ports van Cockburn (anno 1815). Het was een bijzondere bijeenkomst die zelfs voor de initiatiefnemer, Symington Family Estates, uniek bleek. En dat terwijl dit familiebedrijf toch al vijf generaties bestaat en de eigenaar is van gereputeerde porthuizen als Graham, Dow, Warre en Quinto do Vesúvio. Hun nieuwe aanwinst Cockburn – om begrijpelijke redenen uit te spreken als Kooburn – werd echter pas in 2010 aan de portfolio toegevoegd. „Een defensieve acquisitie”, verklaarde Paul Symington bij het begin van de proeverij. „Als wij het niet hadden gedaan, dan had misschien een van onze concurrenten toegehapt.”

Het merk, dat tot begin jaren zestig van de vorige eeuw bekendstond als ‘the finest of the finest’, is weggegleden naar een B-status. Mismanagement van vorige eigenaren en andere prioriteiten van de laatste (sterkedrankenmultinational Allied) hebben van Cockburn een zwalkende operatie gemaakt. De eerste taak van The Family is het wegwerken van achterstallig onderhoud. „Ook wij hebben de wijnen van voor 1950 nog niet geproefd en wellicht vindt u het interessant om die ervaring met ons te delen”, annonceerde Johnny Symington. Om te vervolgen met een Engels gevoel voor understatement: „We won’t be tasting them again any time soon.”

En daarin zou hij wel eens helemaal gelijk kunnen hebben. Sterker nog, dat ze zulke oude wijnen nog eens zullen proeven, ligt niet voor de hand. In de kelders van Cockburn bevonden zich nog slechts zes flessen van 1896, 1904 en 1912. Van 1908, die zich later die ochtend ontpopte tot de meest uitzonderlijke, nog zeven. Drie flessen van ieder kwamen op de proeftafel terecht.

Quinta de Roriz

Een dag later reed ik door de Douro-vallei waar het mij duidelijk werd dat Cockburn niet het enige is in Portugal met achterstallig onderhoud. De weg van Porto, waar de proeverij plaatsvond, naar het twee uur verder gelegen Quinta de Roriz, een wijndomein dat ook in het bezit is van Symington, leidde langs viaducten die half af waren, verroeste kranen op verlaten bouwplaatsen en deels voltooide onroerendgoedprojecten waar het weer al vat op had gekregen.

Toch schijnt er licht aan het eind van de tunnel te gloren. Volgens berichtgeving in de financiële media begin deze maand heeft de EU-trojka in Portugal „de eerste signalen van een toenemende economische bedrijvigheid gezien”. Wijn zou daarbij wel eens een duit in het zakje kunnen doen. Niet alleen van port, maar met name van de niet-versterkte soorten wordt veel verwacht. En van wat ik de laatste jaren heb geproefd is dat niet onterecht.

Grootste troef zijn de inheemse druivensoorten waarin het land grossiert. Aan wie niet meer gezien wil worden met cabernet-confectie dan wel in de sauvignon blanc-sleur is beland, biedt Portugal rond de 250 autochtone alternatieven. Stuk voor stuk druiven die gedijen in het Atlantische klimaat en bovendien een volstrekt eigen karakter hebben. Voor rood zijn touriga nacional en voor wit de alvarinho als breekijzer aangewezen. Maar veel van de beste wijnen zijn juist blends. Daarvan proefde ik eveneens uit de Douro-vallei een trio van Quinta da Romaneira, een nieuw gebouwde winery (2007) op eeuwenoud terroir. Alle drie uit het uitstekende jaar 2008 en door meervoudig Portugees wijnmaker Antonio Agrellos tot intense, elegante, evenwichtige rode wijnen gemaakt met touriga nacional, touriga franca en/of tinto roriz dan wel tinta cão. Het is deze ‘trojka’ die ook meteen zorgt voor een stevige financiële injectie voor de Portugese economie, want in de koopjeshoek zult u ze niet vinden.