‘Door te schrijven vond ik weer een doel’

Pas toen ze er een boek over schreef, ontdekte Mirjam Rotenstreich dat ze een „totaal gestoorde jeugd” had gehad. Ze schreef het boek op de kamer van haar overleden zoon Tonio.

Tekst Coen Verbraak, foto’s Merlijn Doomernik

Het blijft een beklemmend besef; wie bij Adri van der Heijden en Mirjam Rotenstreich aanbelt, drukt op dezelfde bel die op die fatale zondagochtend in mei 2010 klonk. Toen stonden er op deze stoep twee agenten om te melden dat hun zoon Tonio een ernstig ongeluk had gehad. Precies datzelfde geluid dat nu door de hal schalt, markeerde toen messcherp het begin van een gruwelijke episode in hun bestaan. Maar vandaag opent Mirjam Rotenstreich (53) ogenschijnlijk opgewekt de deur. Er is reden voor monterheid: haar eerste roman Verloren mensen is net af.

Ruim vier jaar geleden begon ze met het opschrijven van herinneringen aan haar jeugd en aan het Joodse gezin waarin ze opgroeide. Die doorsneed ze met een thrillerachtig verhaal, waarin verschillende verhaallijnen samenkomen. En nu ligt de dummy voor ons op tafel, in de bibliotheek van hun huis in Amsterdam. Ze kijkt er af en toe naar, in een mengeling van trots en ongeloof. „Ik vind het nog steeds een gekke gedachte dat het boek er nu echt is.”

Haar man had haar al vaker gezegd: ‘waarom schrijf je niet ’ns een boek, op basis van je jeugdherinneringen? Dan is dat klaar en kun je verder’. Maar Rotenstreich voelde daar aanvankelijk weinig voor. „Ik dacht: oh nee, dat gezeur van die tweede generatie… daar heb ik helemaal geen last van. Ik vond dat ik best een gelukkige jeugd had gehad. Mijn zus had wel last van dingen die vroeger voorgevallen waren, maar bij mij ging het allemaal goed. Dácht ik. Totdat mijn zus me op een dag belde en we weer over vroeger spraken. Ineens wist ik dat ik toch moest gaan schrijven.”

Ze huurde een huis in Lugano, de plek waar ze vroeger met haar ouders en zus ook al kwam, om te werken aan een novelle. „Terwijl ik aan het schrijven was, besefte ik dat ik wel degelijk veel last had van vroeger. Door het allemaal te noteren werd het onontkoombaar.” Het schrijfproces werd ruw onderbroken toen Tonio in mei 2010 door een ongeluk om het leven kwam. De anderhalf jaar daarna kreeg ze geen letter meer op papier. „Alles was op slag onbelangrijk geworden. Ondertussen werkte Adri elke dag aan Tonio. Aan het eind van de dag spraken we erover, en huilden we samen. Toen zijn boek na een jaar klaar was kwam er langzaamaan weer wat leven van buitenaf ons bestaan binnen. Toen ben ik weer begonnen met schrijven.”

Rotenstreich werkte in een straf schrijfritme. Ze stond elke ochtend om vijf uur op, en werkte vervolgens tot negen uur ’s morgens. „Daarna bracht ik Adri zijn ontbijt. De rest van de dag was ik bezig met overleven.” Maar die vier uur in de vroege ochtend vormden voor haar een eilandje van troost. „Ik kon op die momenten heel even aan iets anders denken.”

Het schrijven over vroeger bleek een buitengewoon confronterende bezigheid, zegt Rotenstreich. „Als kind neem je klakkeloos aan dat het gezin waar je uit voortkomt de normale wereld is.” Ze groeide op in een Joods gezin, met ouders die allebei getekend waren door de oorlog. „Mijn vader is zijn hele familie kwijtgeraakt, mijn moeder verloor twee van haar zussen. Bovendien overleed mijn oma aan maagkanker toen mijn moeder vier was. Zet twee van die beschadigde mensen bij elkaar en dan weet je het verder wel… Toch vond ik als kind niets raars aan ons gezin. Mijn zus en ik zaten allebei op een joodse school. Daar had iederéén beschadigde ouders. De één had een moeder in een psychiatrische inrichting, de ander een vader die zelfmoord had gepleegd. Dat mijn ouders een heel slecht huwelijk hadden ben ik pas veel later gaan inzien.”

Dus pas tijdens het schrijven brokkelde dat idee van een gelukkige jeugd af?

„Volledig. Ik bleek een totaal gestoorde jeugd gehad te hebben. Mijn moeder was manisch depressief. De ene keer was ze heel vrolijk, en dan ineens weer diepsomber. Ze was hysterisch bezorgd om m’n zus en mij. Als ik ’s avonds uitging liep ze al een kwartier voor het tijdstip waarop ik thuis zou komen in haar peignoir op straat. Kijken of ik er al bijna aankwam. Mijn zus en ik waren continu bezig om haar gerust te stellen. Ik heb altijd gedacht: die ongerustheid van mama komt voort uit haar liefde voor ons. Tijdens het schrijven realiseerde ik me opeens dat ze helemaal niet zo empathisch was. Ze was vooral altijd bezig met de gedachte dat wij háár gerust moesten stellen. Ze wilde dat wij in háár investeerden.”

In hoeverre heeft dat u bepaald?

„Ik ben er extreem gevoelig door geworden. Ik let altijd op tekenen van een ander; hoe voelt iemand zich? Ook bij Adri ben ik altijd alert: oh hij kijkt nu zus, dan voelt hij zich vast zo. Constant bezig met interpreteren. Ook heel snel vragen: ben je boos op me? Terwijl ik besef dat dat enorm irritant is. In mijn relatie met Adri is het wel een voordeel geweest. Adri heeft toch een bepaalde aandacht nodig. In zekere zin ben ik dienstbaar aan zijn talent. Niet dat Adri wilde dat ik mezelf niet ontwikkelde. Integendeel. Maar als ik heel graag zelf op de voorgrond had willen staan dan was dat in onze relatie misschien toch lastig geweest.”

Ook omdat er nou eenmaal maar één grote schrijver in huis kan zijn?

„Ik heb zelf nooit de ambitie gehad om schrijver te worden. Ik schreef wel stukken over literatuur. En toen ik voor Maatstaf een nummer over spannende literatuur samenstelde heb ik daar zelf ook iets voor geschreven. Dat werd uiteindelijk mijn debuutroman Salieristraat No 100. En eerder begon ik aan een literatuur-analytisch boek in de vorm van een detective. Maar zelf schrijver worden kwam niet in me op.”

Verlamde het u niet, een boek schrijven in de directe omgeving van zo’n veelgeprezen oeuvrebouwer als A.F. Th. van der Heijden?

„Nee. Eigenlijk is dat gek. Van nature ben ik heel onzeker. Ik denk altijd dat ik niks kan. Maar dit is voor mij totaal anders. Ik beschouw Adri als een genie, als een schrijver van de buitencategorie. Daar voel ik me niet door beconcurreerd.”

U schreef niet in zijn schaduw?

„Helemáál niet. Hij is eerder een stimulans voor me geweest. Adri werkte één etage boven mij. Als ik even geen zin had, hoorde ik hem typen en dacht ik: toch maar weer even doorgaan.”

Haar man heeft ze tijdens het schrijfproces af en toe een fragment laten lezen. „Maar ik wilde graag dat hij het pas helemaal zou lezen als het echte boek er is.”

Ze werkte op de kamer van haar overleden zoon. „Die heb ik weer helemaal ingericht zoals-ie vroeger was, met de spullen uit zijn studentenkamer. Ik vond het heel fijn om daar te werken. Sowieso is achter een bureau gaan zitten om te schrijven heerlijk. Het heeft me ongelofelijk goed gedaan. Ik heb ontdekt dat ik iets kán. Terwijl ik er altijd automatisch vanuit ging dat dat niet zo was. Talent, dat was iets dat bij anderen hoorde. Maar dat ik nu toch echt iets gemaakt heb is fantastisch.

Dit boek is iets van mezelf. Dat is ontzettend fijn. Ik heb me nooit minderwaardig gevoeld ten opzichte van Adri. Dat gevoel heeft hij mij ook nooit willen bezorgen. Maar het is natuurlijk wel een feit dat Adri altijd veel aandacht krijgt. Ik ben daar niet jaloers op geweest, al heb ik wel voortdurend gedacht: ik moet iets voor mezelf hebben. Ik dacht vroeger bij Tonio ook al: ‘straks gaat hij het huis uit. En ik wil per se niet worden zoals mijn moeder; zo’n hysterisch bezorgde vrouw. Ik kan hem niet dag en nacht op zijn huid zitten’. Dus ik moést iets voor mezelf hebben.

Daarom is Verloren mensen voor mij heel veel meer dan ‘zomaar een boek’. Mijn verleden, mijn heden, alles komt erin samen. Er zit zoveel in, ook de dood van Tonio. Toen ik dit boek schreef zat dat constant in mijn hoofd.’

U omschrijft het schrijven aan dit boek op de achterflap als ‘een baken in een donkere tijd’.

„Dat was het ook. Schrijven is mijn redding geweest. Omdat ik met dat schrijven toch iets wezenlijks probeerde te doen. Verder was er niks meer. Tonio was weg, ik had geen baan. Ja, ik gaf voordien rondleidingen voor middelbare scholieren in het Joods Historisch Museum. Dat lukte me niet meer. Die kinderen deden me te veel aan hem denken. Er leek geen enkele uitweg meer. Door te gaan schrijven vond ik toch weer een doel: iets zinvols stellen tegenover de totale zinloosheid van zijn dood.”

Anna Enquist vertelde dat het na de dood van haar dochter heel lang duurde voordat gebeurtenissen uit de buitenwereld haar weer raakten. Had u dat ook?

„Dat herken ik helemaal. De eerste anderhalf jaar interesseerde niets mij nog. Alles, letterlijk alles draaide om het gemis. Heel langzaamaan kwam de buitenwereld weer terug. Al kunnen veel dingen me eerlijk gezegd nog steeds nauwelijks iets schelen. Mensen die dichtbij me staan interesseren me natuurlijk wel. Maar als het bijvoorbeeld over duurzaamheid gaat, denk ik: ‘nou en? Wat nou, duurzaamheid? Wat doet dat er nog toe als je de toekomst bent kwijtgeraakt?’

„Een kind verliezen is het ergste wat er bestaat. Dat gaat nooit, nooit meer over. Het verdriet slijt wel, heel langzaam. Maar het gemis wordt eerder sterker dan minder. Móórdend, dat is het juiste woord. Iedere nacht is nog steeds doortrokken van dromen, van nachtmerries. Altijd droom ik dat ik op zoek ben naar een huis, naar veiligheid. En ik vind het nergens. Overdag wisselen mijn stemmingen. Maar tegen het einde van de middag komt dat nare, verloren gevoel weer terug. Elke dag.

„Vorige zomer heb ik het souterrain van ons huis aangepakt. Het is verbouwd, met het oog op het maken van een archief voor Adri. Eén kamer is gevuld met spullen van Tonio, uit alle stadia van zijn leven. Zijn hele leven ligt daar in plastic bakken; van zijn luieremmer tot zijn collegedictaten. Van zijn babykruikjes tot het T-shirt dat hij droeg op de laatste dag dat we ’m gezien hebben. Als ik die ruimte inga, pak ik steeds even iets vast. Dan ben ik zo dichtbij hem. Daarna moet ik snel weer weg, omdat ik anders niet zou kunnen functioneren. Normaal denk je bij het terugzien van een peuterbroekje weemoedig: ach gut, wat was-ie toen nog klein. Nu voel je alleen maar pijn.”

Bent u nog in de rouw?

„Die rouw blijft altijd. Iedere ouder kent die momenten waarop je kind huilend thuiskomt; ontroostbaar, omdat hij bijvoorbeeld niet mee mag spelen met de andere kinderen. Hoe simpel zoiets ook is, het raakt je diep. Je wil niet dat je kind ongelukkig is. Dus dan zoek je naar een oplossing waardoor hij weer gaat lachen en stralen. De opluchting die je vervolgens bij jezelf voelt is dan zo bevrijdend. Dát gevoel heb je na de dood van je kind nooit meer. Er is geen enkele troost meer, geen greintje opluchting.

„Ik denk nog vaak aan Tonio toen-ie net geboren was en in zo’n doorzichtig bakje in het ziekenhuis lag. Ik ben zijn moeder, hij is uit mij gekomen. Dan kán het toch helemaal niet dat hij niet meer leeft en ik nog wel? Dat is zo wurgend. Het is onverdraaglijk dat uitgerekend hij er niet meer is. Echt onverdraaglijk.”

Lijkt het daardoor ook of uw moederschap tevergeefs is geweest?

„Nee. Ik bewaar zoveel goede herinneringen aan hem. Daardoor is het gemis juist zo onnoemlijk groot. Dat bespringt je elke keer weer. Niet lang na de dood van Tonio ging ik met een vriendin wat middelbare scholen bekijken voor haar dochter. Ik liep daar door die gangen, overal waren vaders en moeders om me heen. En opeens realiseerde ik me zo pijnlijk duidelijk: ik ben hier de enige moeder zonder kind. Dat is bizar, totaal absurd. Ik was als de dood dat iemand zou vragen: hebt u hier ook een kind op school?”

Wordt hij in uw hoofd wel ouder?

„Nee, dat is het rare. Zijn vrienden zie ik ouder worden, maar Tonio blijft altijd 21. Hij is gestold in de tijd, in beelden uit allerlei stadia van zijn leven. En soms komt er onverwacht weer wat bij. Onlangs wees iemand ons op een opname van Google-streetview. Daarop zie je de Kinkerstraat in de tijd dat Tonio bij Dixons werkte. En wat denk je? Op de stoep voor Dixons staat Tonio. Op zo’n moment lijkt hij weer even zo levend.”

Door ‘Tonio. Een requiemroman’ is hij postuum een nationale figuur geworden. Benauwt dat u nooit?

„Dat was juist de bedoeling. Hoe meer aandacht voor hem, hoe liever. Tonio wordt nu ook verfilmd. Prima. Als wij het als ouders opgeven is Tonio pas echt dood. Met die NS-Publieksprijs ben ik zes weken achtereen als een waanzinnige bezig geweest om stemmen voor Tonio te werven. Dat zou ik voor geen van Adri’s andere boeken ooit gedaan hebben. Maar nu wilde ik dat zoveel mogelijk mensen op dit boek zouden stemmen. Omdat het over hém gaat. Als Adri een B-schrijver was geweest die een larmoyant werkje over zijn dode zoon had geschreven, had ik het dramatisch gevonden. Maar ik wist dat het bij hem in goede handen was. Dit is mooi, dit is kunst.”

Ik was vorig jaar op Begraafplaats Buitenveldert waar Tonio begraven ligt. Bij de balie van het kerkhof lag een stapel Tonio’s die bezoekers konden kopen. Daar kreeg ik een nogal ongemakkelijk gevoel bij.

„Dat snap ik. Die hadden wij er ook niet neergelegd. Er ligt wel een schriftje van ons waar mensen iets in kunnen opschrijven. Zelf kom ik er nog maar weinig. Ik had in het begin gedacht dat het graf me heel veel zou zeggen. Dat blijkt niet zo te zijn. Hier thuis voel ik heel sterk dat hij daar ligt, maar als ik daar sta is het toch gewoon een graf.

„Verloren mensen is voor mij heel sterk met Tonio verbonden. Voorin staat ook: ‘Driemanschap voor altijd: Tonio. Adri en ik’. Ter aankondiging van de roman is een ansichtkaart gemaakt met foto’s die Tonio in 2006 in Lugano nam met een fisheye-lens. Eigenlijk hou ik niet van dat soort foto’s. Maar opeens kwam de gedachte op om als begeleiding van het boek een ansichtkaart te vervaardigen op basis van die kitscherige ‘groeten uit’-kaarten uit de plaatselijke souvenirwinkel. Daar pasten die foto’s perfect bij. Zo raakte hij alsnog met dit boek verbonden.

Verloren mensen staat voor mij voor overleven. Tijdens mijn jeugd, maar vooral ook tijdens de afschuwelijke tijd na het ongeluk. Met dit boek heb ik mezelf laten zien dat ik echt iets kan, en dat ik weer kan functioneren. En het staat vooral voor een nieuw begin, voor hoop en het geloof dat het leven langzaamaan beter zal worden. Ik heb de toekomst weer een beetje naar me toe geschreven.”

Verloren mensen verschijnt komende dinsdag bij uitgeverij De Geus.

    • Coen Verbraak