Die luxebanen zijn er niet meer; jongeren kunnen zijn wie ze zijn

Luxe is nu het hébben van werk. Jongeren zullen het voor het eerst minder goed krijgen dan de vorige generaties en kunnen eindelijk een levensvervulling zoeken met minder luxe en geld, betoogt Philip Huff.

Voorspellen is lastig, zeker als het om de toekomst gaat. Aldus Lawrence Berra, de Amerikaanse Johan Cruyff. Toch doen we allemaal voorspellingen. En vertellen we leugens. Dat doen we om te kunnen leven. Zo geloven we allemaal in een betere wereld voor onze kinderen, al zullen we waarschijnlijk nooit zien of deze er ook echt komt.

Want voor de eerste keer in de moderne geschiedenis groeit een generatie op wier welvaart waarschijnlijk niet groeit of zelfs maar geëvenaard zal worden. Dus moeten we andere paden bewandelen om vooruitgang te realiseren. Die zijn niet altijd even goed gemarkeerd en voeren zelfs niet altijd in de goede richting. Maar de oude wegen leiden ook tot niets. Die zijn afgezet.

Veel van mijn generatiegenoten zijn ongelukkig en ontevreden. Dat mag niet verwonderlijk heten: het werkloosheidspercentage onder jongeren is bijna zeventien procent, het hoogste cijfer in dertig jaar. Bijna honderdvijftigduizend jongeren kunnen op dit moment geen baan vinden. Dat is een stad ter grootte van Enschede of Amersfoort.

Na jaren leren, studeren en co-schappen lopen, vinden afgestudeerde artsen geen opleidingsplaatsen, worden (kunst)historici wegbezuinigd bij fondsen en musea, belanden jonge bankiers, advocaten en militairen op straat en verdwijnen (radio)redacties in de steden en de provincies. En heel vaak volgens het principe: last in, first out. De jongsten zullen dus vaak de laatsten zijn. Er is maar één ding vervelender dan de onzekerheid van werk. Dat is geen werk hebben. Je onnodig voelen. Een loser.

Je op die manier onnodig voelen – de laatste, een loser, dus – is heel wat anders dan je bijzonder voelen, daar geen erkenning voor krijgen en je daarom ongelukkig voelen. Maar dat is wel wat een populair opiniestuk op de Amerikaanse nieuwswebsite The Huffington Post mijn generatie voorhield: je bent ongelukkig en wilt er vanaf? Then stop feeling so special. Ga aan de slag. De wereld is vol mogelijkheden voor iemand die ambitieus is. Negeer de omstandigheden.

Negeer de omstandigheden? Echt? Is dat het beste advies? Blijkbaar.

En het slaat aan: op Facebook werd het artikel Why Generation Y Yuppies are unhappy de afgelopen weken meer dan een miljoen keer geliked. In de meeste commentaren waren mensen het eens met de strekking van het stuk.

Onderwerp van het artikel is de denkbeeldige Lucy. Lucy is lid van generatie Y, ‘mijn’ generatie: kinderen geboren tussen het eind van de jaren zeventig en het midden van de jaren negentig. Ze worden verenigd in een vernieuwde versie van de ‘yuppie culture’: Young Urban Professionals. Ze heten tegenwoordig GYPSYs: Generation Y Protagonist Special Yuppies. Dat is een wat ongelukkig gekozen en vooral gezocht acroniem. Zoals het hele stuk wat ongelukkig in elkaar steekt.

De anonieme auteur van het stuk betoogt dat Lucy ongelukkig is – en dat dit haar eigen schuld is. Lucy ziet niet in waarom ze ongelukkig is en daarom blijft ze het. Maar: Lucy is ongelukkig omdat het verschil tussen de werkelijkheid en haar verwachtingen nogal groot is. Dat komt door de volgende drietrapsraket:

1) Lucy denkt dat ze uniek is.

2) Lucy denkt dat ze van haar passie haar werk moet maken.

3) Lucy zit te veel op Facebook.

Om met het laatste te beginnen: Lucy zit inderdaad te veel op Facebook. Iedereen van mijn generatie zit te veel op Facebook. En ja, wie daar rondkijkt, voelt zich al snel een loser. En dus ongelukkig. Jezelf met anderen vergelijken voor je eigen geluksgevoel is even ingeboren als onverstandig. Maar jezelf met de staatsiefoto’s van anderen vergelijken is gevaarlijk. Toch is dit maar een derde van Lucy’s ongeluk en dus niet doorslaggevend.

Het tweede punt, dat Lucy niet moet menen van haar passie haar werk te moeten maken, snijdt meer hout. Het vereist derhalve ook wat meer context, maar is ook niet zo makkelijk te kwantificeren. Het lijkt me een tijdloos maxime en bewonderenswaardig streven dat mensen vooral moeten doen wat ze leuk vinden. De zinsnede follow your passion is de laatste twintig jaar in de gedrukte media inderdaad steeds populairder geworden – een secure career minder.

Het is dus met recht een generatiegebonden maatschappelijke tendens te noemen. Maar die tendens komt wel ergens vandaan. Het is de uitkomst van een zoekproces van meerdere generaties. Lucy wil niet enkel werk maken van wat ze leuk vindt omdat ze denkt dat ze bijzonder is. Lucy wil dit, omdat ze zo is opgevoed.

Lucy’s grootouders dramden bij hun kinderen op practical, secure careers; door hard werken wordt het gras vanzelf groener. Maar Lucy’s ouders, die geen oorlogen hadden meegemaakt, kwamen er achter dat practical, secure careers helemaal niet zo gelukkig maakten. De babyboomers wilden niet alleen groen gras, ze wilden bloemen. En vaak kon dat. Dus vertelden ze hun kinderen: doe wat je leuk vindt.

Waar het Lucy-stuk volledig aan voorbijgaat, zijn de unieke socio-economische omstandigheden van het naoorlogse Europa. De babyboomers en hun ouders werkten ongetwijfeld hard. Maar wij werken ook hard. Alleen zit het economische tij nu even minder mee. En zijn wij geen onderdeel van de grootste demografische groep. En gaat de ontmanteling van de welvaartsstaat voort.

Ondertussen zijn er sinds het kabinet-Van Agt II niet zo weinig banen geweest. En nog minder perspectieven. De middelbare school afmaken, een studie beginnen (en afmaken), aan het werk en carrière maken; dat was het recept van de babyboomers, hun safe bet. En niet alleen voor babyboomers. Mark Rutte deed tien jaar over zijn studie geschiedenis. Al zijn collegegeld was een gift. Hij kon als voorzitter van de JOVD de hele week gratis reizen met het openbaar vervoer.

Studeer je nu binnen vier jaar af, dan zit je alsnog met een schuld van dertigduizend euro. En met een studie geschiedenis word je echt geen voorzitter van de JOVD meer.

Maar zelfs voor de diehard cv-bouwers is er amper een baan te vinden. De safe bet van de secure career bestaat niet meer. Toen ik afstudeerde, vlak voor de crisis, was er nog redelijk makkelijk werk te vinden. Voor mensen die nu op de arbeidsmarkt komen, is het veel ingewikkelder. Een goede vriend van mij werkt bij een grote bank. Hij zit in een sollicitatiecommissie. Hij wijst elke week meerdere cv’s af die veel beter zijn dan zijn cv, indertijd.

Kort gezegd: Een korte(re) werkweek maakt gelukkig? Prima. Maar dan moet er wel een werkweek zijn om mee te beginnen.

Dus zitten alle advocaat-stagiaires twaalf uur per dag verscholen in hun kantoorgebouwen op de Zuid-As. Om die kleine kans op een baan te vergroten. Terwijl partners van dezelfde kantoren acht of negen ton per jaar verdienen en nadenken over die zeilboot in Griekenland (of, toegegeven, verdrinken in overwerk dat ze beter zouden kunnen delen door wat salaris in te leveren en zo meer arbeidsplaatsen te creëren). Kortom: Er is wel werk, maar er zijn amper banen. En wie geen baan heeft, huurt. Dat maakt voor Lucy overigens niet uit, want een koophuis is toch niet te betalen. Zou het wel te betalen zijn, dan kon Lucy weer geen hypotheek krijgen want ze heeft geen baan. Ziet u de vicieuze cirkel?

Lucy bouwt dus niets op: geen pensioen, geen carrière, geen aandeel in een eigen huis. (Nederlandse huizen zijn overigens overgewaardeerd. Door wie? Zeker niet door Lucy.)

De ouders van mijn ex-vriendin kochten vlak na hun eerste baan een vrijstaand huis van honderdduizend gulden. Toen ze het tien jaar later verkochten, was het zeshonderdduizend gulden waard. Voor honderdduizend euro koop je nu een garage in Boxtel of Waddinxveen.

Als je toch niets verdient, geen huis of haard bezit, en kinderen een dure hobby worden, is het hoe dan ook beter van je passie je werk te maken. Toch?

Met andere woorden: Lucy voelt zich niet speciaal. Lucy voelt zich genaaid. Maar probeert er desondanks toch wat van te maken. Ondanks dat haar zorgverzekering steeds duurder wordt, en ondanks dat ze al een half jaar voor een stagevergoeding bij een filmdistributeur werkt omdat ze anders op straat staat – en er dagelijks vele stageverzoeken van veel meer gekwalificeerde generatiegenoten binnenkomen op haar mailadres. En ondanks dat de crèche niet te betalen wordt.

Dan is er nog het vooruitzicht dat Lucy straks met al haar vrienden en vriendinnen moet gaan betalen voor de vergrijzende babyboomers die – let wel – zelf niet bereid zijn nu veel in te leveren. Getuige Omroep Max, Jan Nagel en zijn 50+ Partij en het gemiep over de pensioenen.

En dan is er nog de arbeidsethos, natuurlijk. Of, beter gezegd: de werkethiek. Een vriend van mij is chirurg. Toen hij op zijn achtendertigste eindelijk een plek in een maatschap vond (en voor hem de andere zeventien kandidaten dus niet), moest hij zich inkopen op basis van de peilcijfers van twee jaar geleden. Terwijl er elk jaar minder operaties worden uitgevoerd.

En bij wie kocht hij zich in? Precies: een mengeling van de generatie Rutte en de generatie Babyboomers. Dezelfde babyboomers die tonnen verdienen en niet bereid zijn iets in te leveren of meer werk te delen. Nee, de eerste zes maanden van zijn verblijf moet de – al aangenomen! – chirurg voor een assistentensalaris zijn ‘kennismakingstijd’ doorkomen.

Lucy’s probleem – mijn probleem, ons probleem – is dat wij de eerste generatie in meer dan honderd jaar zijn die het waarschijnlijk financieel minder goed voor elkaar zullen hebben dan onze ouders. In dat opzicht zijn we wel bijzonder. Dat we werk willen hebben dat resoneert met wie je bent, is minder bijzonder. Maar bovendien is dat het probleem niet. Het probleem is dat de generaties boven ons niet bereid zijn werk te delen: niet in de lasten, niet in de lusten, en zeker niet in inkomsten. De crisis is de basis van veel van ons ongeluk. Daar is op korte termijn niet veel aan te doen. De reactie op de crisis is de basis van ons ongenoegen. En daar valt veel aan te veranderen. Maar generatie Y is niet de grote doelgroep. De grote doelgroep is de vergrijzende massa van babyboomers en generatie X’ers – die met meer zijn, en meer vermogen hebben en nog een gat van hun midlife crisis of pensioen-vrije-tijd te vullen hebben.

Ik hoor de mogelijke tegenwerpingen al: in de jaren tachtig hadden we ook een crisis. De huidige omstandigheden zijn van voorbijgaande aard. Wellicht. Maar: deze crisis is ook een systeemcrisis. En de trucjes die worden gebruikt om er bovenop te komen, zijn een keer op. Want dan is er minder geld uit het systeem te halen dan men er in moet stoppen. En als dat gebeurt, zijn wij nog steeds jonge ouders, met jonge kinderen.

Zelfs als dat niet gebeurt, is er een trend in de wereld zichtbaar: de zwaartepunten van het kapitalisme verschuiven naar India, Brazilië, China. Je hoeft geen waarzegger te zijn om te zien dat de wereld in de toekomst zal veranderen. Zo lastig is dat nou ook weer niet.

Dat laatste hoeft natuurlijk niet uitsluitend een probleem te zijn. Als het waar is wat Oscar Wilde zegt, dat ongenoegen de eerste stap is in de vooruitgang van een mens, of een land, dan is de tweede stap wellicht een inzicht. De derde stap is dan die van de handeling. Een recente uitzending van Tegenlicht, Mensen van nu, liet zien hoe een deel van generatie Y aan de onvrede voorbijgaat, door in te zien dat geld niet alles is, dat er meer is dan koopkracht alleen: dat we een baan, ja zelfs werk, willen inleveren voor de zekerheid van minder werk dat ons een voldaan gevoel geeft (de inhoud) en veiligheid (de zekerheid van werk). Dat terwijl de sociale functie van de overheid steeds meer wegvalt, andere initiatieven ontstaan om een maatschappij te creëren waarin mensen gelukkig kunnen zijn door te worden wie ze willen worden. Door te worden wie ze zijn. Door hun passies na te jagen. Jawel, daar komen die grote woorden weer. En de koppigheid. Maar dat doen kinderen. Die voeden zich het liefst met dromen en koppigheid.

Wie daarop afgeeft, zegt wat over die dromen. En die koppigheid. Maar vooral ook over zichzelf.

    • Philip Huff