‘De inburgering van nieuwkomers is aardig geslaagd, ondanks het beleid’

De Nederlandse politiek slaat volkomen door in haar immigratiebeleid, zegt emeritus hoogleraar Han Entzinger. „Je hoeft niet allemaal hetzelfde te worden.”

De Entzingers hebben vier generaties in Indonesië gewoond. Vader kwam net voor de oorlog naar Nederland om hier te studeren. „Ik ben dus volgens de officiële definitie – ten minste een van beide ouders geboren in het buitenland – allochtoon.”

Han Entzinger (1947) nam eind september afscheid als hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. In zijn appartement in de woontoren Montevideo, met een feeëriek uitzicht over de Maasstad, kijkt hij terug op de vier decennia waarin hij zich als ambtenaar, onderzoeker, beleidsadviseur en docent bezighield met migranten in Nederland. In die veertig jaar werden veel nieuwkomers Nederlanders, en lang niet altijd dankzij overheidsbeleid.

Na een studie sociale wetenschappen in Leiden (1964-1971) ging Entzinger werken bij de onderzoeksafdeling van het toenmalige ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). In 1975 trok hij als jong ambtenaar de aandacht met een artikel in Beleid en Maatschappij getiteld ‘Nederland immigratieland?’ Het departement raakte danig van slag door dat stuk. „Destijds”, vertelt Entzinger, „vormden de zogenoemde gastarbeiders uit Marokko en Turkije nog maar een paar procent van de bevolking in de grote steden. ‘Iedereen denkt dat zij teruggaan’, schreef ik, ‘maar ze zullen blijven’. Kranten pikten het op en toen heb ik van de beleidsafdeling ontzettend om mijn kop gekregen. ‘Hoe kom je daarbij? Dat is helemaal ons beleid niet!’”

Na de Molukse treinkapingen, in 1975 en 1977, drong door dat het land aan het veranderen was. Toen duidelijker werd dat terugkeer in veel gevallen niet zou plaatsvinden, reserveerde Nederland een speciaal plekje in de samenleving voor groepen nieuwkomers en kregen ze eigen voorzieningen. Maar er mochten geen nieuwe bijkomen; het toelatingsbeleid werd strenger. Entzinger: „Dat leek een tijdje goed te gaan, omdat we van ’81 tot ’85 een economische dip hadden. In die jaren was het migratiesaldo ongeveer nul. Maar daarna kwamen er steeds meer asielzoekers. Gezinshereniging bleef doorgaan want, zei men, dat kunnen we niet tegenhouden.”

Behoud van identiteit

Het politieke credo luidde in de jaren 80: nieuwkomers moeten zichzelf kunnen blijven. ‘Integratie met behoud van eigen identiteit’ heette dat. Entzinger: „Ik had daar van meet af aan moeite mee. Ik zei tegen mijn collega’s van CRM: dat kan niet. Wat maakt een samenleving tot samenleving? Je hoeft niet allemaal hetzelfde te worden – te assimileren – maar wie mee gaat doen in het land van aankomst verandert. Altijd. Al mijn studenten van de tweede generatie beseffen op vakantie in Marokko of Turkije hoe Nederlands ze zijn. Maar dat geloofde men toen niet.”

De opvatting dat nieuwkomers recht hadden op onderwijs in hun eigen taal en cultuur en op eigen instellingen, zou later worden afgedaan als ‘naïef geloof in de multiculturele samenleving’. Maar in de jaren tachtig werd Entzinger omringd door zulke gelovigen. Sinds 1986 was hij twee dagen in de week hoogleraar studies van de multi-etnische samenleving in Utrecht. „De collega’s daar waren bijna zonder uitzondering cultuurrelativisten: die vonden alle culturen gelijkwaardig en zeiden ‘wie zijn wij om van Turken te vragen dat zij hun mooie taal opgeven en Nederlands leren?’ Hooguit een enkeling vond dat onderwijs in eigen taal en cultuur niet goed was voor migrantenkinderen.”

De andere drie dagen van de week werkte hij als staflid bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Die kwam in 1989 met het rapport Allochtonenbeleid, mede geschreven door Entzinger. Dat stuk luidde een kentering in van het beleid en leidde tot een harde aanvaring met zijn Utrechtse collega’s. „In dat rapport pleitten we voor een individuele benadering, geen groepsaanpak gericht op minderheden. Er was alleen geen woord om al die individuen aan te duiden. De meest voor de hand liggende term was ‘immigranten’, maar dat vond de Raad, onder druk van de regering, een brug te ver. Nederland was dan wel een immigratieland, maar het mocht nog niet zo genoemd worden. Dus kozen we voor ‘allochtonen’, een vondst van Hilda Verwey-Jonker uit 1971.”

Het WRR-rapport van ’89 introduceert de term ‘integratie’. „Dat betekent deelnemen aan wonen, werken en onderwijs. Wij zeiden: cultuur is een eigen verantwoordelijkheid, daar dient de overheid zich niet mee te bemoeien. Je kunt mensen toch geen cultuur opleggen? Dat gaat vanzelf!” De twee paarse kabinetten (1994-2002) lieten zich leiden door dit WRR-rapport .

Entzinger spreekt niet tegen dat hij de voorbije veertig jaar invloed heeft gehad. „Ik heb vanaf Til Gardeniers [kabinet Van Agt-Wiegel, red.] zo ongeveer alle ministers op dit terrein onder vier ogen gesproken. De een luisterde wat meer, de ander wat minder. Begin jaren 90 pleitten Arie van der Zwan en ik voor verplichte inburgering. We kwamen met ons voorstel tijdens de kabinetsformatie van ’94. In het regeerakkoord van dat jaar stonden letterlijke passages uit ons rapport. En in 1997 lag die wet er. Nederland was het eerste land waar de verplichte inburgering is ingevoerd. We wilden hiermee integratie bevorderen en niet de immigratie beperken. Maar zo is het later wel gebruikt.”

Tot omstreeks 2000 zaten etnische en migratiestudies heel dicht op het beleid. Te dicht, erkent Entzinger. „De overheid zag in de jaren 70 dat hier een probleem opkwam. Daar moesten ze iets mee en daarvoor hadden ze input nodig. Die symbiose van onderzoek en beleid gaf veel werk, maar had ook een schaduwzijde. Bepaalde vragen bleven onderbelicht, dilemma’s werden uit de weg gegaan. Ik denk dat het hele debat rond de islam, over botsende vrijheden, wetenschappelijk slecht onderbouwd was. Het onderzoek werd ook steeds vaker gebruikt om al gemaakte beleidskeuzen te legitimeren.”

Gepolitiseerd

Na de Fortuynrevolte werden sociologen allengs verdrongen uit het overheidsapparaat. „Het sociologisch onderzoek was steeds minder gericht op kortetermijnproblemen en meer op fundamentele processen, zoals de werking van integratie. En daar hebben politici minder oren naar. Het beleid raakte ook meer gepolitiseerd, het werd meer fact-free politics. Geleidelijk ontstaan er bij de overheid gevestigde belangen, gaan er ook partijpolitieke overwegingen meespelen. Ambtenaren zetten zich vast in bepaalde paradigma’s en kunnen dan niet een-twee-drie terug.”

Een en ander leidde tot een verrassende terugkeer van cultuur. De definitie van burgerschap is ingrijpend veranderd. Vroeger ging die over rechten en plichten, meedoen; nu komt burgerschap neer op je aanpassen aan de Nederlandse cultuur, je de heersende normen eigen maken.

Entzinger: „Ik noem het beleid sinds 2002 assimilatief. Dat vinden ze niet leuk in Den Haag, maar ik heb dat standpunt nooit gewijzigd. Cultuur ligt niet vast. Cultuurgrenzen schuiven. Ook de Nederlandse cultuur verandert snel. Vijftig jaar geleden dachten de meeste Nederlanders net zo over homo’s als veel Marokkanen nu.”

Inburgeringseisen worden intussen aangescherpt. „Toen Eberhard van der Laan minister was [in het vierde kabinet-Balkenende, red.] heb ik samen met een collega een brief geschreven, onder meer over de geheimdoenerij rond de vragen van de inburgeringstoets. Toen heeft de minister ons uitgenodigd om die toets een keer te doen in Rijswijk. Daar zaten ambtenaren bij. Op zeker moment maakten wij wat notities, maar dat was absoluut verboden, die vragen mochten niet naar buiten. We zijn toen boos geworden en hebben gewoon aantekeningen gemaakt. Nou, sommige van die vragen deugen niet.”

Noem er eens een.

„De buurvrouw heeft een kind gekregen; wat doe je dan? (1) Niets doen; (2) meteen naar de buurvrouw gaan met een cadeau; (3) opbellen en vragen of je langs mag komen. Het derde antwoord is het juiste. Dat is heel normatief en heeft niks te maken met wetskennis of kennis van geografie en historie. Het hangt er helemaal vanaf hoe goed je met de buurvrouw bent!”

In 2004 meldde de commissie-Blok dat de integratie van nieuwkomers in Nederland redelijk was geslaagd, meer ondanks dan dankzij het beleid.

Wat kan een overheid eigenlijk doen aan integratie?

„Niet zo heel veel. In de Verenigde Staten, het immigratieland bij uitstek, hebben ze nooit een integratiebeleid gehad. En je kunt niet zeggen dat het daar slecht is gegaan. Er is alleen een naturalisatieritueel met eedaflegging. En er is – heel belangrijk – antidiscriminatiebeleid. Een overheid moet het toelatingsbeleid goed regelen en ervoor zorgen dat mensen als ze eenmaal binnen zijn een goede rechtspositie krijgen, met name verblijfszekerheid. Daarom vind ik het zo ongelooflijk dom dat dit kabinet al die termijnen van vijf jaar wil veranderen in zeven jaar: voor bijstand, kiesrecht, naturalisatie. Dat rekt alleen de afhankelijkheid. Ook werk is heel belangrijk, én een serieus antidiscriminatiebeleid. Voor een groot deel komt het aan op management by speech. Regelmatig laten merken dat je weet dat ze er zijn en ze ook aanspreken. In wat hartelijker immigratielanden doet de burgemeester een felicitatie uitgaan naar de moslimgemeenschap op islamitische feestdagen. Je hoeft cultuurverschillen niet weg te poetsen. Maar in Nederland hebben we ze overbenoemd en zo gefixeerd. Mensen gaan zich ernaar gedragen.”

    • Dirk Vlasblom