De hemel in huis

De lamp heeft zijn tijd gehad, de toekomst is aan het licht. Licht dat uit een muur komt, uit een kastwand of uit een raam – ook als het donker is.

Foto Kalle Sanner en Daniel Rybakken

Het mooiste licht dat je in het Vitra Museum kunt zien, is een witte lichtvlek op een doek dat aan de muur hangt. Blinkend zonlicht dat schuin op de muur valt en door zijn weerkaatsing de hele ruimte laat oplichten. Licht dat je duidelijk maakt dat je naar buiten moet, want het is blijkbaar mooi weer geworden.

Maar waar staat de zon, en waar is toch dat raam? Als je vlak voor het doek gaat staan, is de vlek op de muur er nog steeds. Ik houd mijn hand voor de vlek. Geen schaduw. Pas dan dringt tot me door dat de lichtvlek achter het doek wordt geproduceerd, door een verzameling leds.

Deze creatie van de Noorse lichtontwerper Daniel Rybakken is een voorbeeld van modern lichtdesign, een lamp kun je deze vorm van verlichting niet meer noemen. De lamp heeft zijn tijd gehad, de toekomst is aan het licht. Licht dat uit een muur komt, uit een kastwand of uit een raam – ook als het donker is.

Lightopia heet de expositie in dit designmuseum in Weil am Rhein, dat een kilometer of tien van Bazel in Duitsland ligt. Het museum laat zijn collectie verlichting zien, sommige lampen zijn bijna honderd jaar oud. En je krijgt een blik in de toekomst.

De expositie komt op een goed moment, het licht staat op een keerpunt. De gloeilamp, de lichtbron waarmee we de afgelopen honderd jaar de duisternis hebben bestreden, is een jaar geleden voorgoed uitgedraaid. Hij werd tegen het einde van de negentiende eeuw bedacht door een aantal uitvinders van wie Edison de bekendste was. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam de massafabricage op gang, maar na ruim een eeuw viel de gloeilamp in ongenade. Vanaf 1 september 2012 is de handel in gloeilampen in de gehele Europese Unie verboden. De gloeilamp geeft te weinig licht, vindt de Unie. De led, een klein plastic bolletje waar fel licht uit komt als je er een klein stroompje doorheen laat lopen, heeft de toekomst.

Althans, dat dachten we. Zijn toekomst is alweer ingehaald door een nog nieuwere lichtbron: de oled. Dat is een dun laagje van speciaal materiaal dat oplicht als je er een elektrische spanning op zet. Een uitgesmeerde led, zeg maar. Je kunt een oled tussen twee dunne plaatjes glas of plastic monteren, dan heb je een lichtgevend vlak. Je kunt dat vlakje buigen. Je kunt het zo maken dat je er zonder probleem in kunt kijken, een vlak dat zachtjes gloeit.

Oleds kun je in vensters verwerken. Overdag kun je er doorheen kijken, ’s avonds worden ze ondoorzichtig, maar geven nog steeds licht. Je kunt er ook fladderende velletjes op A4 formaat van maken en die aan dunne draden in een ruimte hangen, zoals de Brit Paul Cocksedge deed. Dwarrelend licht, alsof een windvlaag vat heeft gekregen op een stapel helwit papier.

Je kunt een kroonluchter aan het plafond hangen die uit lichtgevende plaatjes bestaat. Je kunt ook je feestjurk van verlichting voorzien, zodat je altijd het stralende middelpunt bent. Je kunt de wand boven de bank zachtjes laten opgloeien, je kunt het licht om een ronde kolom plooien. Het is zacht licht, je kunt erin kijken zonder met je ogen te knipperen. Het is als „de hemel op een bewolkte dag”, zegt Philips-lichtontwerper Rogier van der Heide in de tentoonstellingscatalogus.

Het is wel een hemel van de toekomst, want de oleds verkeren nog in de experimenteerfase. De massafabricage is nog niet begonnen en de ontwerpproblemen nog niet opgelost. Wat doe je met een lichtgevend vlak als het uit staat? Heb je dan een oninteressant stuk plastic?

Lampenkap

Lichtontwerpers zullen hun vak opnieuw moeten uitvinden. De afgelopen honderd jaar konden ze zich uitleven op de lampenkap, en op de stang waaraan hij vastzit. Je kunt ze zien in het Vitramuseum: de Bauhaus-lamp uit 1923, de bloemvormige lampen van de Deen Poul Henningsen uit de jaren vijftig en de wulpse Pipistrello van Gae Aulenti uit 1967, met zijn vleermuiskap. Allemaal pogingen om de lamp te temmen, zijn schijnsel te verzachten en te spreiden. Voor een oled heb je geen kap nodig.

Er waren ook in de gloeilamptijd brutale ontwerpers die kaploze lampen maakten. Ingo Maurer bijvoorbeeld. Zijn Lucellino is een naakt peertje met vleugeltjes. En je had de broertjes Achille en Pier Castiglioni, die een autoschijnwerper op een staaf zetten en die tegen het plafond lieten schijnen. Je mag het licht best zien, vonden ze. Als het pijn aan je ogen doet, kijk je maar de andere kant op. Misschien wilden ze ons inprenten dat kunstlicht geen natuurlicht is. Dat het een inbreuk op de nacht is en op ons biologisch ritme. Dat het gestolen tijd is, die uren onder de leeslamp.

Voordat er kunstlicht was, sliepen veel mensen twee keer. Na zonsondergang gingen ze naar bed, sliepen een uur of vier en bleven dan twee uur wakker. Studenten staken een kaars aan en bogen zich over hun boeken. Je kon bij de buren langsgaan of eens een boomgaard plunderen. Veel mensen bleven in bed liggen en praatten wat. Het was een ideaal moment voor seks. Daarna begonnen ze aan hun tweede slaap, die duurde tot zonsopgang. Met de komst van elektriciteitsnetten en de gloeilamp kwamen voor iedereen lange avonden beschikbaar. Je kon veel later naar bed, maar met de twee slaapperiodes was het gedaan. Edison heeft het voor elkaar gekregen dat we nu acht uur achter elkaar slapen, concludeert de Amerikaanse historicus Jane Brox in Brilliant, the Evolution of Artificial Light, haar boek over de geschiedenis van het kunstlicht. Natuurlijk is dat niet. In experimenten waarbij mensen blootgesteld worden aan prehistorische slaapomstandigheden, vallen ze meteen terug in die twee slaapperioden.

De eenentwintigste eeuwers hebben weinig keus, ze draaien mee in het kunstlichtregime dat de dag zo ver mogelijk oprekt. Daarin gaan ze vaak te ver. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen niet buiten een flinke portie duisternis kunnen. Wie ’s avonds in fel licht gaat zitten, of nog erger, voor een helder computerscherm, verkleint zijn kansen op een goede nachtrust en schaadt op den duur zijn gezondheid.

Doorwerken

Op een grote satellietfoto van de wereld bij nacht, die ook op de expositie hangt, kun je zien waar de mensen er het best in geslaagd zijn de duisternis te verdrijven. De oost- en de westkust van Amerika. De Nijldelta, Johannesburg, Parijs, Moskou, Peking, Tokio. Allemaal helwitte plekken tegen een donkere achtergrond. Een van de helderste plekken is Nederland. Dat komt vooral door de kassen in het Westland, waar met felle lampen paprika’s en tomaten gedwongen worden om door te groeien als het buiten al donker is. Je hoeft er maar heel even over na te denken en je trekt de voor de hand liggende conclusie: in onze kantoren, huiskamers en fabrieken doen we precies hetzelfde. We verlengen de dag, zodat we meer kunnen produceren.

Dat heeft de mensheid veel opgeleverd. Scholieren konden hun huiswerk maken, ambachtslieden konden ook ’s winters doorwerken en alles wat we nu hebben – auto’s, vliegtuigen, rijkdom – was er zonder kunstlicht niet geweest.

En het belangrijkste kunstlicht zou je bijna vergeten. Onder de grond en op de bodems van de oceanen liggen dikke bundels kabels. Kabels met duizenden aderen van fijn glasvezel waar met 300.000 kilometer per seconde lichtpulsen doorheen snellen. Ze zorgen voor het transport van data, tweets, televisieprogramma’s, telefoongesprekken en e-mails. Ze verbinden de knooppunten van de wereld met elkaar, 24 uur per dag. Het is een vreemd idee als je in bed ligt, de leeslamp uitknipt en in het donker staart. Dat diep onder je talloze lichtbundels in één seconde zeven keer rond de aarde flitsen. Licht dat niemand ziet.

Lightopia, 28 september tot 16 maart, Vitra Design Museum, Weil am Rhein

    • Warna Oosterbaan