Bankieren is politiek

Toen Europese banken in 2008 omvielen en om staatssteun vroegen, werden de bestuurders van die banken in Brussel ontboden. De reden: als een land zomaar zijn eigen banken vol belastinggeld pompt, hebben buitenlandse banken in zo’n land snel het nakijken. Mensen zetten hun geld in crisistijd natuurlijk liever op een ‘staatsbank’ met 100 procent overlevingsgarantie, dan op een buitenlandse bank in hun land die dat niet heeft. Brussel controleert of staatssteun tijdelijk is en verbindt er beperkende voorwaarden aan.

Eén Brusselse betrokkene vergeet nooit hoe ze op een dag gingen onderhandelen met een Duitse bank die aan het staatsinfuus was gelegd. „Vijftien Duitse bankiers kwamen het kantoor binnen. Bleken dat allemaal politici te zijn! In Duitsland benoemen politieke partijen hun mensen gewoon bij banken. Toen begreep ik: banken en politiek zijn totaal verweven.”

Wie wil begrijpen waarom de crisis nog niet voorbij is, moet deze anekdote goed onthouden.

Een van de problemen in de huidige crisis is dat Europese banken op hun geld blijven zitten. Ze lenen niets uit. Niet aan elkaar. Niet aan huishoudens. Niet aan bedrijven. Zo komen economieën tot stilstand. ‘Financieel nationalisme’ is een belangrijke veroorzaker van deze stagnatie. Banken zitten aan de landelijke politiek vast en weten dat voor andere banken elders in Europa hetzelfde geldt. Stel, je hebt als bankier in goede tijden een bank in een ander Europees land gekocht. Jouw nationale toezichthouder wist: dit is erg riskant. Maar hij kreeg van het ministerie van Financiën het signaal om de overname toch goed te keuren, omdat anders een bank uit een ánder land dat hapje zou verorberen.

Dit is een voorbeeld – niet fictief – van financieel nationalisme. Waarom zou jij dan nu, in crisistijd, geld lenen aan een bank uit een ander land die door zíjn toezichthouder okay is bevonden, terwijl je weet dat jouw eigen toezichthouder jou de hand beschermend boven het hoofd houdt als jij het moeilijk hebt? Legendarisch zijn in dit verband de gemanipuleerde stresstests uit 2010. Ierse toezichthouders verklaarden Ierse banken ‘gezond’. Even later stortten die banken in.

Vanwege dit soort financieel nationalisme vertrouwt niemand elkaar meer in de Europese financiële sector. Ierland wilde banken in 2010 niet met belastinggeld stutten, maar obligatiehouders een korting opleggen. Duitsland verhinderde dat, omdat veel van die obligaties bij Duitse banken zaten. Duitsland was eerst, om dezelfde redenen, ook tegen kortingen voor Griekse obligatiehouders: dat zou Deutsche Bank benadelen. Maar toen verkocht Deutsche Bank zijn Griekse obligaties, en ineens was Duitsland vóór kortingen. Franse banken leden daardoor fikse verliezen. Deed Duitsland dit om Franse ‘nationale kampioenen’ een hak te zetten? Velen denken het. Net zoals velen denken dat de Franse eurocommissaris voor financiële regulering, Michel Barnier, de Londense City de nek om wil draaien.

Financieel nationalisme heeft altijd bestaan – het is oorlogsvoering, maar dan met geld. Probleem is dat Europa nu één markt is, zonder grenzen. Nationale banken zitten nu ook volop in buurlanden. We hebben de euro. Door die verwevenheid van het systeem raakt het Nederland direct als er een Spaanse bank wankelt en andersom. Dat nationale toezichthouders problemen in hun ‘eigen’ banken verdoezelen, vaak onder druk van politici, moet dus zo snel mogelijk stoppen. Maar dit erkennen kost nationale toezichthouders moeite, want dat betekent macht inleveren.

Politici in Europese landen deden er vijf jaar over om een Europese toezichthouder op te richten. Nu soebatten ze over de Europese pot geld die nodig is voor dit toezicht. Dat is bespottelijk. Zonder dit geld blijven het nationale staten die de banken overeind houden. Banken blijven dan in de greep van nationale politici. En die, zo leerden we afgelopen jaren, hebben van bankieren weinig begrepen.

Caroline de Gruyter schrijft op deze plek elke zaterdag over Europa en politiek.