Als businessman ben ik een amateur

Marcel Wanders is 25 jaar ontwerper en krijgt een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. ‘Niet succesvol zijn heeft altijd een reden’, zegt hij bij een tonijnsalade.

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Marcel Wanders: „Een designermoet aan de basis knagen van het design dat er al is.” Met zijn dochter Joy maakte hij ‘One Minute Sculptures’. Ze kleiden één minuut en het resultaat werd afgebakken en van een goudlaag voorzien.

M

arcel Wanders, product- en interieurontwerper was het bijna vergeten. Of nou ja, niet vergeten, laten we zeggen: hij was op het afgesproken tijdstip nog thuis aan het werk. Gaf niks, want ik was al min of meer bij hem thuis. Ik zat in een stoel die hij ontwierp – een brandweerrode hangstoel – in de lobby van zijn hotel (het Andaz hotel in Amsterdam), te kijken naar videokunst uit zijn kunstverzameling. Zijn geest was er; in de gouden elandskop boven de openhaard, de lampen als kerkklokken, de blauwe standbeelden op klompen.

Dan komt Marcel Wanders (50) aansnellen. Koptelefoon om de nek, gestreept T-shirt, broek met wijd uitlopende pijpen, gympies. We gaan naar het restaurant in het hotel. Hij kiest de grote tafel in de serre met uitzicht op de tuin. Die tuin is ook zijn ontwerp. Het hotel werd in december opgeleverd, hartje winter. „De hele zomer kwam ik even langs om mijn visie te zien opbloeien.” Voor hem heel bijzonder, een project zo dicht bij huis. Hij ‘deed’ ook hotels in Bonn, Miami, New York en Doha. Maar dit is op loopafstand van zijn kantoor in de Jordaan. „Vandaag herken ik voor het eerst mijn oorspronkelijke tekening. Mijn eigen beeldtaal.” Hij noemt het een typische kijktuin. „Je moet steeds opnieuw kijken of het klopt wat je ziet.” Ik zie wilde bloemen, bruggetjes, een laantje met daarlangs standbeelden van mannen die hun handen als een toeter voor hun mond vouwen. „Ze fluisteren je in wat je droomde”, zegt Marcel Wanders. Het lijkt meer op schreeuwen, zeg ik. Marcel Wanders sluit kort zijn ogen: „Ze schreeuwen stilte.”

Hij bestelt bruiswater, en voor ons allebei een salade met verse tonijn. Tweeënhalf jaar geleden nam hij zich voor om nu, op zijn vijftigste, sterker te zijn op alle gebieden. Fysiek, sociaal, relationeel, economisch, artistiek. „Gewoon, snoeihard erop af.” En, gelukt? Nou en of. Twee dagen voor zijn verjaardag liep hij een marathon op de loopband bij hem thuis; hij eet gezond en groen (geen vlees, weinig vis); hij is gaan samenwonen met zijn Zweedse vriendin. En in februari 2014 komt er in het Stedelijk Museum in Amsterdam een overzichtstentoonstelling van zijn werk. Hij is dan precies vijfentwintig jaar designer. Bekend van zijn Knotted Chair (gemaakt van geknoopt touw) uit 1996, zijn Egg Vase (1997), zijn One Minute Sculptures (2004), voorwerpen die hij in een minuut vormgeeft. Genoeg over wat hij heeft gedaan. „Ik wil weer vooruit kijken.” Hij zegt dat hij een MBA-opleiding gaat doen aan INSEAD, een topinstituut in de buurt van Parijs. Hij? Een loodzware managementopleiding? Hoezo?

Marcel Wanders heeft een bloeiend bedrijf gebouwd rond het merk dat hij zelf is. Hij is mededirecteur van het designlabel Moooi, heeft een eigen ontwerpstudio met vijfenveertig mensen in dienst, doet opdrachten voor internationale merken. Hij maakt lampen, cosmetica, sieraden. En nu zegt hij dat hij wil „groeien”? Hij knikt. „Als businessman ben ik een amateur. Ik wil mijn business skills naar een hoger niveau tillen.” Grappig, zeg ik. Collega-designers verwijten hem toch dat hij te veel als zakenman denkt en te weinig als kunstenaar? Ik haal aan wat kunstenaar Daan Roosegaarde laatst zei in de Volkskrant: „Marcel Wanders is een gewaardeerde collega. Maar het is een nachtmerrie dat hij zijn werk is gaan verkopen. Het is copy-paste geworden.”

Marcel Wanders leunt iets achterover in zijn stoel en zegt eerst een tijdje niks. Dan zegt hij dat zijn kantoor sinds de zomer een persstop heeft ingesteld. In Nederland althans. En blijkbaar herinnert hij zich ter plekke waarom ook alweer. „In elk ander land buiten Nederland zou dit gesprek nooit zo worden gevoerd.” Altijd dezelfde kritiek. Altijd maar dat herkauwen van het verwijt dat hij te commercieel is. Tegen kunstenaars die zich over hem beklagen, kan hij alleen maar zeggen: „Niet succesvol zijn heeft altijd een reden.” En verder... „De kritiek is zo Nederlands. Zo de calvinistische mentaliteit van de designfundamentalisten hier.” Het is moeilijk, zegt hij, om mijn werk hier te doen. Het enige dat hem voorlopig in Nederland houdt, is zijn dochter Joy. Ze is vijftien en woont met haar moeder in Brabant. „Maar straks is mijn thuis misschien wel in Londen. Of Berlijn. Tokio.”

Om de kou uit de lucht te halen, vraag ik wat hij wil leren op de MBA-opleiding. „Weet ik nog niet. Ik hoop dat iemand me daar zegt wat ik moet leren.” Zijn medestudenten zijn professionals uit alle werelddelen, er zitten directeuren van multinationals tussen. „Ik ontmoet mensen die ik mijn hele leven for no reason ben ontvlucht.” Uit gewoonte heeft hij zich altijd omringd met dezelfde soort mensen. „Dat praat makkelijk, het is gezellig.” Maar nu wil hij een ander Umfelt, en een andere toolbox. „Met niet-creatieven op een andere manier kijken naar creativiteit. Daar word ik ook een betere ontwerper van.” En wat nou als dat nieuwe ‘Umfelt’ hem zegt dat het helemaal anders moet? „Leren is nooit comfortabel.” Maar laat hij het zich wel zeggen? „Daar stel ik me voor open.” Wordt dat lastig? Hij glimlacht. „Ik ben niet heel corrigeerbaar.”

Timmerman

De vraag is: wat gaat hij straks met zijn nieuwe kennis doen? Hij heeft grootse plannen, zegt hij. Radicale plannen zelfs. Veel meer wil hij er nu niet over zeggen. „Maar het is altijd nuttig om te weten hoe een bedrijf gerund wordt. Op de kunstacademie blijft dat onderbelicht.” Niet zo gek dat je dan kunstenaars krijgt die prachtige ideeën hebben, maar zich niet afvragen of iemand zit te wachten op hun idee. „Ze vergeten de timmerman die hun tafel of stoel moet maken, en de winkelier die het moet verkopen. Dat zijn ook mensen met personeel in dienst, een hypotheek en een auto.” Hij, zoon van ouders met een winkel in huishoudelijke artikelen, heeft altijd oog voor het belang van degenen tegenover hem aan tafel. „Je moet ervoor zorgen dat je met een oplossing komt voor alle stakeholders.” Dat heet ook wel een compromis? „Nee. Ik wil uitkomen op wat voor iedereen de gaafste oplossing is. Dat iedereen zegt: I want to buy what I sell.

Onze borden worden weggehaald. Hij bestelt thee voor twee. Ik vraag waarom hij eigenlijk als student van de kunstacademie in Eindhoven werd gestuurd. „De docenten vonden me te experimenteel.” Dat klinkt als een verkapt compliment. Net als ‘te ervaren’ of ‘te hoog opgeleid’ bij een sollicitatie. „Toen voelde dat niet zo. Ik zat te huilen op de stoep. Een vriendin, een goede vriendin zelfs, zei: ‘Zie je wel. Design is niet voor mensen zoals jij.’” Wat bedoelde ze daarmee? „Blijkbaar hoorde iemand met mijn achtergrond niet thuis op een academie.”

Zijn achtergrond is niks bijzonders, zegt hij. Of in elk geval niet creatief. Hij is de middelste van twee broers en twee zussen, groeide op in Boxtel, zijn ouders werkten in de winkel. „De kapotte apparaten uit de winkel kreeg ik. Die sloopte ik en zette ze weer in elkaar. Hoe iets in elkaar zit, boeide me. Op mijn tiende begreep ik al de logica van bouwen.” Zijn ouders lieten hem, niet helemaal van harte, naar de academie gaan. Maar dat ging dus snel mis. Wat deed hij verkeerd? „Ik knaagde te veel aan hun basis.” Hij zal het uitleggen. Begin jaren tachtig was Bauhaus de dominante stijl op de academie; functioneel design, eenvoudig, efficiënt. Ongeveer in diezelfde tijd ontstond in Italië de Memphis-stijl; asymmetrisch, felgekleurd, aparte materialen. „Toen ik dat ontdekte... Zo kon het dus ook.” Voor hem was dat een „Darwin-achtige” ontdekking. „In design is er ook zoiets als evolutie. Het een komt voort uit het ander.” Dat is een „fokking basale gedachte”, zegt hij. „Ik realiseerde me dat een designer aan de basis moet knagen van het design dat er al is.”

Soms betekent ‘designevolutie’ dat het nieuwe ten koste gaat van het oude. En dat brengt Marcel Wanders in gewetensnood. Nieuw kopen en het oude weggooien is niet duurzaam. Je zou het misschien niet meteen zeggen als je zijn uitbundige ontwerpen ziet, maar duurzaamheid is héél belangrijk voor Marcel Wanders. „Een key factor.”

Niet duurzaam in de zin van onverslijtbaar, of ‘biologisch afbreekbaar’, of ‘gemaakt van natuurlijke materialen’. Nee, duurzaamheid zit volgens Marcel Wanders in het hoofd. In het hoofd van de ontwerper die „waarde toevoegt” aan een product, en de koper die „waarde toekent” aan dat product. Als mensen iets maar mooi genoeg vinden, gooien ze het niet weg. Alleen: er zijn zes miljard mensen. Mensen die elke dag economische beslissingen nemen: dit koop ik, dit niet. En al die mensen stuk voor stuk verleiden tot de aanschaf van een duurzaam product, dat duurt veel te lang.

Afdwingen

Mondjesmaat onthult Marcel Wanders nu iets over die radicale plannen van hem. „Je moet mensen duurzame dingen verkopen zonder dat ze in de gaten hebben dat het goede producten zijn.” Hoe? „Afdwingen.” Hoe? Marcel Wanders glimlacht nu sfinxachtig. „Ik kan alleen zeggen dat ik hier als creatief tekortschiet.” Vandaar het andere Umfelt en die nieuwe toolbox? Gelukkig, hij knikt. Heb ik toch iets van wat er in hem omgaat begrepen. „Na mijn MBA kan ik de conversatie aangaan met mensen die wel iets kunnen afdwingen.”