Yab Yum, het museum

Omdat ik te weinig musea bezoek, haalde ik gisteren een bevriend stel over om samen met mij naar Yab Yum, het museum, te gaan. Aan het Singel. Bij de kassa kregen we armbandjes met daarop de tekst: ‘Yab Yum Amsterdam, I was there’ en ik vroeg me ineens af of dat soms de reden was dat ik er naartoe had gewild. Mensen die namelijk terloops laten vallen dat ze daar vroeger wel eens kwamen – vaak voegen ze dan iets toe als „in de jaren ’80, toen alles daar nog kon” – maken toch altijd indruk op me. En dat is niet dezelfde fascinatie als die mensen hebben voor Willem Holleeder, want als iemand vertelt dat hij vroeger met Holleeder een biljartje legde, interesseert me dat niet. Sterker nog: dat vind ik eng. Net als een vriendin die laatst opmerkte dat ze Badr Hari was tegen gekomen tijdens een feestje. Good for you. Blij dat ik toen thuis Downton Abbey zat te kijken.

Maar Yab Yum heeft iets geheimzinnigs, iets overdrevens, iets avontuurlijks en sexy’s, iets echt Amsterdams. In mijn hoofd dan.

Yab Yum, het museum, is met al z’n nep en pracht en praal een soort Efteling voor volwassenen. Dat effect wordt versterkt doordat er nu in plaats van ‘meisjes’ (zo werden de betaalde dames daar genoemd) etalagepoppen in uitdagende poses op de bedden liggen. Je ziet redelijk luxe hotelkamers zonder ramen, met veel goudkleuren, rood fluweel en nepbrokaat, maar gelukkig wordt dit gecompenseerd door de charme en de verhalen van rondleider en ex-manager (ten tijde van eigenaar Theo Heuft): ‘Mitch’. Mitch onthaalt zijn gasten uiterst hartelijk en laat alles vol trots zien („ga gerust even op de bedden liggen, de lakens zijn schoon”). En passant wijst hij nog even op de uitzet boven de wastafels: „Kijk, je had hier alles wat je maar nodig had: een föhn, een flesje Odol…” en op de dressboy, een fascinerend meubel waar een heer zijn kleren overheen kon vouwen zodat ze niet kreukelden – ik kan me persoonlijk niet voorstellen dat die ooit gebruikt werd, maar misschien ben ik nog nooit met een man met echt dure pakken naar bed geweest. De meisjes konden overigens hun lingerie „prima op het nachtkastje draperen”, aldus Mitch.

Mitch vertelt spannende anekdotes over onderwereldfiguren („die heb je nu eenmaal overal”), kunstenaars, zakenmannen en oliesjeiks (er was er ooit een die een week op de kamer bleef, er moesten continu twintig meisjes klaarstaan). En over de bravoure waarmee de tent gerund werd; de champagneprijs die 100 x over de kop ging, de trucjes waarmee die champagne vervolgens in hoog tempo werd opgedronken, de manier waarop taxichauffeurs werden verleid om klanten af te leveren (veel dokken), de projecten die met veel enthousiasme werden gestart (krantjes, pornofilms, boeken) en die vaak ook hopeloos mislukten, maar toch; hier gebeurde wat.

Toen we aan het eind van de tour het daglicht weer instapten vond ik het oprecht jammer dat de echte nachtclub niet meer bestond. Het was alsof ik had betaald voor seks en even had geloofd dat die ander verliefd op me was geweest.