Van glas

In het warenhuis moest ik een pas gekochte winterjas terugbrengen, omdat de kraag een verflaagje bleek te bevatten dat afgaf op mijn kleren. Kan gebeuren – waar staat dat warenhuizen feilloos zijn? Omdat ik mijn bon al had weggegooid, vreesde ik moeizame onderhandelingen, maar het viel reuze mee.

De verkoper onderkende snel de redelijkheid van mijn klacht en voorzag een strop voor de fabrikant – de jassen waren nog maar net in de handel. Hij waarschuwde een collega die bij de kassa mijn geld ging terughalen. Wij gingen als vrienden uit elkaar.

Mild gestemd (heerlijk, zo’n warenhuis, dacht ik – en dat denk ik heus niet elke dag) wilde ik het pand door de draaideur verlaten, toen ik rechts van mij een felle klap hoorde. Een metalen ornament kletterde op de grond. Ik deed een stap terug en zag hoe een kleine vrouw wankelde voor de glazen pui tussen de twee draaideuren bij de uitgang. Zij had haar handen om haar voorhoofd en neus gevouwen en kreunde. Ze moest frontaal tegen de glazen wand zijn opgelopen.

Het gaf me in een flits een déjà-vu-gevoel: waar had ik onlangs zoiets ook weer zelf meegemaakt? Die verdomde glasmuren ook. De moderne architecten veroordelen ook de mens steeds meer tot de rol van de vogel die zich nietsvermoedend te pletter vliegt tegen het glas dat op lucht lijkt. Intussen leidde ik de vrouw voorzichtig naar een pilaar waar ze tegen kon leunen. Op haar voorhoofd was al een zwelling begonnen en de bovenkant van haar neus was geschaafd. Bij een ooghoek zat een streepje bloed.

„Laat me maar even”, zei ze, terwijl ze met gesloten ogen bleef staan, „ik ben duizelig.” Ze was ergens tussen de zestig en de zeventig, de leeftijd waarop de klappen harder beginnen aan te komen. Een jonge verkoopster schoot toe. „Gaat het?”, vroeg ze. Ze bekeek de verwondingen. „Gebeurt dit hier vaker?”, vroeg ik. „O ja”, zei ze, „afgelopen zomer nog een paar keer.” „Moeten jullie daar dan niets aan doen?”, vroeg ik.

Ze wees op de rijen wittige blokjes die ter waarschuwing in de glaswand waren geperst. Ze bevonden zich op ooghoogte van de gemiddelde mens, maar deze vrouw was kleiner, de blokjes moesten haar ontgaan zijn. „Ik denk dat jullie méér moeten doen”, zei ik. „Daar ga ik niet over”, zei de verkoopster. Ze wendde zich tot de vrouw: „Ik ga ijs voor u halen.”

De kleine mevrouw was de ergste schrik te boven. „Ik heb geen blokjes gezien”, zei ze, „ik dacht dat ik de buitenlucht instapte.” „In Amerika zouden ze zó een claim aan hun broek krijgen”, zei ik strijdlustig.

De verkoopster kwam terug. Ze had een EHBO-gediplomeerde collega op de derde etage gewaarschuwd. Die meldde zich een kleine tien minuten later. Ze bekeek het voorhoofd. „Een bult, nou ja, bultje”, zei ze, „weet u zich nog alles te herinneren?” „Ja hoor”, zei de kleine mevrouw. „Ik heb geen ijs meegenomen, je weet nooit wat dat met de hersenen doet”, zei de vrouw. Had dan een glas water meegenomen, dacht ik, maar ik kwam liever terug op die witte blokjes: „Ik begrijp dat het vaker voorkomt…” „Ja”, zei ze grif, „het kan ook door de schittering op het glas komen.”

„Ik wil weg”, zei de kleine mevrouw. Ik keek nog even naar haar voorhoofd. Daar groeide een bult, een heel dikke.

Zonder nog veel aandacht te besteden aan de EHBO-gediplomeerde, liepen we naar buiten. Door de draaideur. Heerlijk, zo’n warenhuis.

    • Frits Abrahams