Nobelprijs voor de Vrede gedijt vooral bij herrie

Op de naam van de ‘kampioen van de vrede’ wordt elk jaar weer in spanning gewacht. Vervolgens barst de kritiek los. Nooit is het goed.

Met het OPCW, de VN-organisatie die toeziet op het verbod op de verspreiding van chemische wapens, heeft het Nobelcomité een veilige keuze gemaakt – behalve misschien bij het Syrische regime, zal deze winnaar op weinig weerstand stuiten. Vaak is dat wel anders. Vorig jaar bijvoorbeeld kreeg de EU, ondanks de eurocrisis, de prijs. In 2009 ging de eer naar Barack Obama, die toen nog geen jaar president was. En ook ‘oorlogsmisdadiger’ Henry Kissinger (in 1973), ‘ex-guerrillastrijder’ Menachem Begin (1978) en ‘racist’ F.W. de Klerk (1993) behoorden tot het illustere gezelschap van mensen die volgens velen de prijs nooit hadden mogen krijgen.

Ook over een minder bekende winnaar als Wangari Maathai (2004) rees twijfel. De Keniaanse plantte niet alleen bomen in de strijd voor duurzaamheid, maar zou volgens een Keniaanse krant ook hebben beweerd dat aids door westerse wetenschappers in Afrika was verspreid. En hoe durfde het Nobelcomité de Amerikaanse oud-vicepresident Al Gore (2007) te lauweren voor een film die angst zaaide door te overdrijven over klimaatverandering. Zelfs op de keuze voor de Chinese dissident Liu Xiaobo (2010) kwam kritiek, en niet alleen uit China. Hij had ooit de Amerikaanse inmenging in Vietnam en de Irak-oorlog verdedigd.

Kritiek op het Nobelcomité is van alle tijden. Natuurlijk kun je je afvragen met welk recht een groepje van vijf door het Noorse parlement aangewezen oud-politici (want dat zijn het meestal) ieder jaar een ‘kampioen van de vrede’ mag aanwijzen. Dat is dan wel de vrede zoals een westers land, NAVO-lid bovendien, die ziet. Waar bemoeien ze zich mee, dat zei de Russische regering nadat Lech Walesa de prijs kreeg (1983), de Chinese regering na de Dalai Lama (1989) en Birmese na Aung San Suu Kyi (1991).

Die reactie is begrijpelijk want zij wisten dat de status van de winnaar door de prijs groeit en daarmee de betekenis van zijn boodschap. „De laureaat staat in de hele wereld symbool voor goede wil, voor de zuiverheid van hart”, vond Francis Sejersted, in de jaren negentig van de vorige eeuw voorzitter van het Nobelcomité. De Zuid-Afrikaanse bisschop Desmond Tutu, die de prijs in 1984 ontving, zei het iets luchtiger: „Meteen nadat ik de Nobelprijs had gekregen werd ik een instant orakel. Bijna alles wat ik eerder al eens had gezegd, werd nu ontvangen met iets van ‘aah’.”

Controverse hoort bij de Nobelprijs, vindt Øivind Stenersen, historicus en oprichter van Nobeliana.com, een website over de vredesprijs. Ruzies over de winnaar maken volgens hem zelfs deel uit van het succes. In een interview per e-mail antwoordt hij dat het Nobelcomité zich daarvan zeer bewust is. „De secretaris, professor Geir Lundestad, heeft herhaaldelijk benadrukt dat controversiële laureaten internationaal debat uitlokken over vredesvraagstukken. Dat is goed voor het stellen van prioriteiten op de internationale agenda”, aldus Stenersen.

De voorzitter van het Nobelcomité, Aase Lionæs, formuleerde het zo, in 1974: Of het nou „staatslieden aan de onderhandelingstafel, verdedigers van mensenrechten, experts van internationaal recht, rebellen, humanisten, idealisten, pragmatici of dromers” zijn, „allemaal waren het controversiële figuren.”

Waarschijnlijk bestaan ze niet eens, winnaars waar iedereen blij mee is – hooguit achteraf, als de oogkleppen van de actualiteit verdwenen zijn. Wie nu door iedereen wordt gewaardeerd, kan waarschijnlijk voor de vrede nauwelijks een lans breken.

In zijn boek over de geschiedenis van de vredesprijs schrijven Stenersen en zijn coauteurs dat er al in 1901, toen de prijs voor het eerst werd uitgereikt, discussie was over de vraag of Henri Dunant hem wel verdiende. Had de oprichter van het Rode Kruis met zijn hulp aan gewonde soldaten het oorlog voeren niet een menselijker karakter gegeven? En vijf jaar later, toen Noorwegen zich net had losgemaakt uit de unie met Zweden, was er verontwaardiging over de toekenning van de prijs aan de Amerikaanse president Theodore Roosevelt. Zweedse media schamperden dat de Noorse politici met die prijs voor zichzelf een sterke vriend hadden aangeschaft.

Het is dan ook bijna een wonder dat de vredesprijs twee wereldoorlogen, een Koude Oorlog en een ‘Oorlog tegen Terreur’ heeft overleefd. Zeker omdat het comité al vrij snel begon af te wijken van wat Alfred Nobel in 1895 in zijn testament had bepleit. Nobel wilde een prijs voor degene die dat jaar „het meest heeft gedaan voor de broederschap tussen naties, voor de afschaffing of verkleining van bestaande legers en voor het stimuleren van vredescongressen”.

Vooral in de beginjaren van de prijs kregen veelal goedbedoelende wereldverbeteraars hem. Het leverde winnaars op als Frédéric Passy, Élie Ducommun, Charles Albert Gobat, Bertha von Suttner, Fredrik Bajer – wie kent ze nog? Maar steeds vaker ging de prijs naar politici of organisaties die persoonlijk betrokken waren bij een conflict, er zelfs soms jarenlang aan hadden bijgedragen, die bereid waren tot een compromis tussen goed en kwaad.

Dat heeft de prijs volgens historicus Øivind Stenersen een Scandinavisch stempel gegeven. „Scandinaviërs zijn missionair”, vat hij samen. Ze hechten aan hun egalitaire maatschappij en aan vrouwenrechten, ze geloven in sociale solidariteit en collectivisme. Ze hebben vertrouwen in de Verenigde Naties en – iets waarmee Noorwegen een zekere faam heeft verworven – ze zijn pleitbezorgers van stille diplomatie door kleine landen. Ze proberen een brug te slaan tussen de islamitische wereld en het Westen. En ze maken zich grote zorgen over klimaatverandering.

Dat alles zie je volgens Stenersen terug in de prijs. Vooral in het afgelopen decennium hebben meer vrouwen en meer moslims de Nobelprijs gekregen. En het klimaat was zowel in 2004 (Maathai) als in 2007 (Al Gore en het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties) aanleiding voor een Nobelprijs.

Dat Noorwegen met de prijs zichzelf in de problemen brengt, is volgens Stenersen onontkoombaar. Soms neemt het Nobelcomité een besluit dat strijdig is met de Noorse politieke en economische belangen op de korte termijn”, aldus de historicus. „Dat is cruciaal om de onafhankelijkheid van de prijs te bewaren en het benadrukt de idealistische doelen.”

Een recent voorbeeld is de toekenning van de prijs aan de Chinese dissident Liu Xiaobo. Het Nobelcomité benadrukte weliswaar dat de Chinese regering miljoenen mensen uit de armoede had geholpen, maar bekritiseerde tegelijkertijd het gebrek aan vrijheid van meningsuiting en andere democratische rechten. „De Chinese regering noemde de prijs ‘blasfemisch’ en in strijd met het testament van Alfred Nobel”, aldus Stenerser. ,,Ze benadrukten dat de toekenning de Chinees-Noorse relatie ernstig zou schaden. Hoge diplomatieke ontmoetingen werden afgezegd en culturele uitwisselingen gingen niet door. Noorse zakenlieden vreesden dat de prijs schadelijk zou zijn voor de handel tussen beide landen. Maar uiteindelijk leidde de prijs niet tot een handelscrisis.”

Het helpt volgens Stenersen dat de Noorse bevolking zo trots is op de prijs. „Het is een belangrijk deel van de Noorse nationale identiteit geworden.”