Niets zo broeierig als hadj naar Mekka

Zondag begint de hadj. Miljoenen moslims reizen naar Mekka. Hafid Bouazza over de religieuze én erotische aspecten van deze bedevaart.

Illustratie hajo

Vrouwen dienen de hadj, de jaarlijkse bedevaart naar Mekka, in het gezelschap van hun echtgenoot of een mannelijk familielid af te leggen. De reden hiervoor laat zich makkelijk raden; in de enorme massa – dit jaar worden rond de vier miljoen hadji’s verwacht – die zich tijdens de rondgang (tawaf) om de Kaäba dromt, kunnen handen die zich uitstrekken naar de Zwarte Steen makkelijk andere behaaglijkere rondingen vinden en betasten. Ontdaan van schroom, zal menige vrouw die de hadj heeft afgelegd wel kunnen vertellen over ‘de hand van Allah’ die zij op haar achterste welving voelde. Dat oord moet een ware droomplek zijn voor frottage (ilmam – het woord heeft een bijna ritualistische klank).

De briljante libertijnse dichter Abu Nuwas (ca. 756-814) ging eenmaal op bedevaart en dat om deze specifieke reden. Hij reisde de beminde slavin Djanan achterna die daar met haar meester was om tijdens de rondgang te plukken wat zij gewoonlijk van hem afschermde. Twee minnaars beroerden elkaars wangen bij het kussen van het Zwarte Steen;/Zij genazen zonder te zondigen – het was als waren zij daar op afspraak./Hadden de mensen niet tegen hen aangeduwd, dan waren zij tot het einde der tijden niet ontwaakt./Terwijl elk van ons het gezicht bedekte met de hand van wat ons omringde,/Bleven wij in de bedeplek doen wat de zuiveren van geest in de moskee niet deden.

De juxtapositie van het erotische en het religieuze in de laatste regel is interessant en ik kom er nog op terug. Interessanter, ook al is het geheel met humor gebracht, is dat de notie dat de Kaäba dient als eerbetoon aan liefde en extase best wel eens een grond van waarheid zou kunnen hebben.

Het gebied waar de twee heilige plekken van de islam staan, Mekka en Medina, heet Hijaz, in het noordwesten van het Arabische schiereiland. Ondanks deze plekken was het juist een dichter die deze streek faam verleende (en wiens voetsporen Abu Nuwas in het gedicht volgt). Omar ibn abi Rabia’ah (644-712 of 721) behoorde tot een welgestelde Mekkaanse familie; als belangrijke dichter en bon vivant was hij een spil in de beau monde van Hijaz. Hij had zich gevestigd in Medina, maar keerde jaarlijks terug naar Mekka tijdens de hadj om vrouwen (vooral van adel) het hof te maken en zijn liaisons met ze te bezingen. „Van wie zijn de kampresten in Khayf te Mina verlaten en verweerd? De laren tussen de legerplaatsen zijn als handschriften.” Buiten het pelgrimsseizoen was er niks te doen.

Zijn roem en beruchtheid mogen wel blijken uit de legende dat hij geboren zou zijn op de nacht dat de tweede kalief Omar ibn al-Khattab (584-644) overleed, waarop men verzucht zou hebben: „Wat voor waarheid is ontnomen en wat voor ijdelheid is neergezet!” Desondanks is zijn poëzie bijzonder verfijnd, elegant, gracieus en vol lichte humor; er valt geen onvertogen technisch woord, anders dan bij Abu Nuwas.

Zijn literaire belang was aanzienlijk, maar wat ons hier interesseert is hoe hij Mekka beschrijft als een oord van heimelijke ontmoetingen, overduisterde erotische fluisteringen en omstrengelingen, het dramatisch spel van afstoten en aantrekken: De nacht lang bleef ik kussen nemen van zoete muskusspeeksel, alsof ik honing puurde./Toen het morgenen naderde zei: „Je hebt mij onteerd! Ga dan onverjaagd weg of, als je wilt, ga dan door!”/Niets meer deed ik dan aan haar tong sabbelen...

Zijn hoge sociale positie zorgde ervoor dat zijn leven geen gevaar liep, omdat hij zijn minnaressen met naam en toenaam bezong en hij schertste met de pelgrimsrituelen: Noodlottig vertoonde zich aan mij op de Kiezelplaats in Mina een zon versluierd in een Jemenitisch gewaad.../En toen we elkaar troffen bij Thaniyyah groette zij, maar de vervloekte muilezel trok aan mijn breidel!/Ik weet bij God niet – hoewel ik rekenen kan – of ik zeven stenen heb gegooid of acht?/Ik zei: „Stijg af, want mijn tent is vruchtbaar voor u, ver verwijderd van lotslagen.”/Wij stegen en zij steeg een wijle af; zij sprak en de ogen begonnen om haar zich in tranen te ijlen.

(Mina is de plaats, vijf kilometer ten oosten van Mekka, waar de pelgrims Satan ritueel moeten stenigen en wel met zeven stenen; Thaniyyah, bergpas, is de naam van een plek in Mekka waar zich een put bevond.)

Als hier liefdesdaden en rituelen nog verbonden zijn, in andere literatuur vinden we de pelgrimstocht zelf als metafoor voor de erotische handeling. Zo schreef een belletrist uit de tiende eeuw in goedmoedige scherts aan een vriend: „Ik zeg: mijn meester heeft een vossige ros [rode wijn] bereden, hoe vond hij zijn rug?(...) En waar heeft hij gereden: in ruime of nauwe veld? En heeft hij de hadj verkozen of genoten van de oemrah?”

De oemrah is de ‘kleine hadj’, de bedevaart buiten het seizoen en staat voor anale seks (zoals ‘het nauwe veld’) – zo werd zulke vereniging met vrouwen ‘de kleine sodomie’ genoemd, in tegenstelling tussen de mannelijke en verfoeilijkere variant, ‘de grote sodomie’. Een andere bron charmeert de lezer met het volgende: „Zij naderde mij en drukte mij tegen haar borst; wij kusten elkaar en zij zoog aan mijn onderlip en ik zoog aan haar bovenlip; ik streelde haar zijden en toen we op de grond vielen, deden we dat gelijktijdig; zij ontknoopte haar sarval, die op haar enkelbanden gleed en wij begonnen te schrabbelen en elkaar te omhelzen, te minnemutselen en zoete woordjes te spreken, te bijten en been op been te dragen en rond te gaan [tawaf] om het Heilige Huis [Kaäba] en zijn hoeken totdat haar ledematen verloomden en zij flauw viel.”

Van Mekka is er voor de komst van de islam weinig bekend; Ptlomeus (gest. 168) verwijst er hoogstwaarschijnlijk naar onder de naam Macoraba. Over de Kaäba (‘kubus’) nog minder, maar het is wel duidelijk dat de heidense Arabieren het als schrijn gebruikten voor de goden die ze in de vorm van stenen aanbaden (litholatrie). Dat er 360 goden huisden, zoals de mythe wil, lijkt onmogelijk gezien de beschrijving van San’ani (gest. 827) van zo’n tempel: „De tempel [ka’bah] werd in pre-islamitische tijden gebouwd met losse stenen zonder klei. Hij was zo hoog dat jonge geiten erop konden springen. Hij had geen dak en de draperieën werden er overheen gelegd zodat ze neer hingen.”

Wel weten we van Herodotus (vijfde eeuw voor Christus), geattesteerd door latere bronnen, dat de Arabieren twee oppergoden aanbaden, Alilat en Orotalt, respectievelijk. Afrodiet en Dionysus. Afrodiet werd khabar genoemd, ‘de grote’ en khamara (Arabisch: qamar=maan; khamr=wijn). Dionysys zou haar kind zijn met Eosforos, de morgenster (moslims bidden nog steeds richting het oosten). Orotalt voor Dionysus is wel uitgelegd als verbastering van Allah ta’alat (de grote god); nu klopt het wel dat de Semitische ‘l’ in het Grieks een ‘r’ (zo werd nahr=rivier de Nijl), maar waarschijnlijker is het dat Orotalt een verbastering is van Ruldaw/Ruda.

Wat onze rondgang nu complementeert en de genoemde dichters gelijk geeft, is dat er verschillende benamingen zijn voor de steengoden, zoals masgida (plaats van prosternatie, vandaar Arabisch masdjid en moskee), maar veel prikkelender nog een duwar, een voorwerp van rondgang. (Elke god(in) had een eigen vorm: Alilat was een stenen kubus.) Voeg daarbij de vergelijkingen die Omar ibn abi Rabi’ah in navolging van vroegere dichters maakt van jonge vrouwen met ivoren standbeelden (duma) en we hebben onze eredienst aan Afrodiet rond.