Niet tegenvallen Niet teleurstellen

‘Kom dan gaan we ons verstoppen in de bosjes”, zei de man en pakte mijn hand. Ging het zo? Ik weet het niet meer. Broertje mee? Of mocht broertje juist niet mee? „Nu moet je op mijn schoot komen zitten.” Ja, dat zei hij zeker. Ik was denk ik een jaar of vier, vijf misschien. Het was in een park. Ik herinner me dat ik niet wilde, maar niet goed ‘nee’ durfde te zeggen tegen de man. En dat ik toen, ach wat zijn herinneringen toch weinig waard, deed alsof ik geroepen werd door andere kinderen? Hoe dan ook, voor er iets gebeurde was ik dat bosje weer uit.

Heb ik het later thuis aan mijn ouders verteld? Ja, geloof ik. En die spraken natuurlijk verstandig met me over kinderlokkers en zo, en dat hadden ze vast ook al eerder gedaan.

Het probleem was niet dat ik niet wist wat een kinderlokker was. Een man met een snoepje of een praatje die iets wil. Het probleem was dat ik de man niet meteen als zodanig herkend had. En vooral dat ik toen niet goed meer wist hoe ik van die man af moest komen zonder onaardig te zijn. Of misschien nog sterker: zonder tegen te vallen. Zonder de man teleur te stellen.

Of kwam dat laatste gevoel pas later, in de puberteit? Waarschijnlijk wel. Als vier- of vijfjarige had ik die angst nog niet tot volle bloei gebracht. En de kinderlokker speelt daar ook niet zo mee, geloof ik. Die ene man in dat ene bosje althans niet. Maar ‘de Man’, de man die iets van je wil, die wèl. Die vind je bijzonder. En die lijkt iets van je te verwachten. En die verwachting mag of wil je niet teleurstellen.

Wat is dat toch in meisjes? Want als je nu leest over de meisjes die op internet ertoe verlokt worden om hun kleren uit te trekken, om foto’s te sturen, dan hebben meer meisjes daar last van. Ze zijn gevleid. Logisch. Ze gaan een eindje mee met het begrijpende aardige type, logisch. Maar als iemand schrijft: stuur eens een naaktfoto van jezelf, dan ja.

Dan wat. Dan is dat misschien alleen maar een volgende stap.

Misschien stellen die meisjes zich voor dat die man hopeloos verliefd is en vreselijk naar ze verlangt. Of zoiets. Dat type voorstellingen waren mijn ergste vijanden toen ik jong was. Al die wanhopige mannen die niet door mij teleurgesteld mochten worden!

En tegelijkertijd die mengeling van schaamte en walging ten aanzien van jezelf als je verder ging dan je wilde, al was het maar door zoiets onnozels als hand in hand lopen. En het gevoel de consequenties te moeten dragen van wat je nu eenmaal had gedaan. De man had nu het recht om meer te vragen. Het enige wat je kon doen was vluchten. Als er iets te vluchten viel.

Laatst las ik bij Rudy Kousbroek nog weer over „het overweldigende verlangen om voor iemand alle barrières op te heffen, zich volkomen bloot te geven, zonder verfraaiingen, zonder iets achter te houden”.

Dat verlangen heeft denk ik iets te maken met het inzicht, misschien nog ongearticuleerd, van niet gekend te zijn, ook niet door jezelf. In je woont iets dat niet te doorgronden is. Maar er zou iemand kunnen komen die je helemaal zou begrijpen, die je zou ophelderen aan jezelf en zou zeggen: dit ben jij. En dat zou dan geen afwijzing zijn.

Zo’n droom. Die hoopvol blijft leven onder de reactie op slijmerige zinnetjes als: „Nee, ik vind jou speciaal ... bij jou moet alles nog zo voorzichtig snap je.”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Marjoleine de Vos